Interculturele communicatie
(‘Met nieuwe ogen’ H1 t/m 1.4 + H2 t/m 2.4)
Hoofdstuk 1: Cultuur en cultuurelementen
1.1 Inleiding
Onze samenleving is bezig te veranderen in een global village. Dit alles is boeiend en verrijkend, maar
vraagt van ons dat we meer dan vroeger oog moeten hebben voor de cultuur en achtergrond van
anderen. Binnen het beroepsonderwijs is er dan ook een toenemende belangstelling voor
internationalisering. Er is een proces van transculturalisatie op gang gekomen.
Transculturalisatie: een veranderingsproces met als doel de realisatie van een gelijkwaardige positie
van iedereen, ongeacht zijn/haar culturele achtergrond.
1.2 Cultuur
Cultuur: (een veel gebruikte definitie hiervan:) Een samenhangend stelsel van voorstellingen,
opvattingen, kennis, gewoonten, verwachtingen, waarden en normen dat de leden van een
samenleving overdragen aan volgende generaties. (Dit lijkt statisch, cultuur is echter dynamisch.)
‘Een dynamisch proces van uitstraling, opname, wijziging, confrontatie, verwerping, reconstructie en
interventie.’
‘Een samenhangend stelsel van oplossingen voor bepaalde problemen.’
Traditie: Een oud cultureel gebruik dat de nieuwe krachten van differentiëring en integratie
tegengaat. Ofwel, cultuurelementen die blijven bestaan terwijl het probleem al lang is opgelost.
Waarde: Een object dat voor de leden van een groep emotionele betekenis heeft, maar staat ook
voor de emotionele betekenis zelf die de leden van een groep ergens aan hechten. (Bijv.:
zelfontplooiing, zekerheid, gezondheid, vriendschap, respect, etc.)
Norm: Een gedragsregel. Deze regel kan van tweeërlei aard zijn: statistisch, de meerderheid gedraagt
zich als in de norm beschreven, of ideëel, men behoort zich als in de norm gesteld te gedragen.
Normen zijn van waarden afgeleid. (Bijv.: opstaan voor een oudere, etc.)
De definities van cultuur in 5 categorieën (volgens Kloos 1995):
1. Opsommende definities: Cultuur is een samenhangend stelsel van wetten, kunst, gewoonten,
etc., dat mensen zich eigen maken als lid van een bepaalde gemeenschap.
2. Historische definities: Cultuur is het van de voorouders geërfde stelsel van gewoontes en
aannames dat ons leven bepaalt.
3. Normatieve definities: Een samenleving bestaat uit mensen, de wijze waarop ze zich
gedragen bepaalt hun cultuur.
4. Psychologische definities: Cultuur is een gezamenlijk aangeleerd patroon van gedragingen
waardoor biologische behoeften gereguleerd worden.
5. Structurele definities: Cultuur bestaat uit vaste onderling samenhangende gewoonten van
bepaalde sociale groepen.
,1.2.1 Elk individu kent meerdere culturen
‘Er is een even groot verschil tussen ons en onszelf als tussen ons en anderen.’
We vergeten vaak meerdere culturen en sociale identiteiten kent naast zijn etnische cultuur,
namelijk sekse, opleiding, leeftijd, beroep, etc.
Cultuurelementen zijn onderdelen van een cultuur die kenmerkend zijn voor een bepaalde
(groeps)cultuur.
1.2.2 Hoe een cultuur te leren kennen?
Een hulpmiddel om enig inzicht in een cultuur te krijgen, is ‘het ui-diagram van Hofstede (1993)’. Het
bestaat uit een aantal elementen: waarden, rituelen, helden, symbolen. Deze worden zichtbaar
gemaakt door praktijken (zoals tradities en cultuuruitingen).
De ui is een symbool voor de verschillende lagen van een cultuur, maar ook een metafoor: hoe
dieper men erin snijdt, hoe meer tranen er komen!
Waarde: Een object dat voor de leden van een groep emotionele betekenis heeft, maar staat ook
voor de emotionele betekenis zelf die de leden van een groep ergens aan hechten. (Bijv.:
zelfontplooiing, zekerheid, gezondheid, vriendschap, respect, etc.)
Ritueel: Sterk geformaliseerd gedrag ten aanzien van bepaalde waarden. (Bijv.: godsdienstige
rituelen, omgangsvormen (hoe men zich groet etc.), manieren van gedrag bij feesten, begrafenissen,
huwelijken etc.)
Overgangsrituelen (rites de passage): Rituelen met als functie mensen te helpen bij
belangrijke overgangsfasen in het leven. Vaak versterken ze ook de saamhorigheid binnen
een gemeenschap. (Bijv.: geboorte, pubertijd, ouderschap, huwelijk en dood.)
Intensiveringsrituelen: Worden gehouden bij crises in de gemeenschap en dienen om de
gemeenschapszin te versterken. (Bijv.: de dodenherdenking op 4 mei, de herdenking van de
MH17 ramp, moor ook bijv. een feest als koningendag.)
Held: Iemand die voor een groep een belangrijk identificatiemodel is. Het kan gaan om een levende
of reeds overleden persoon die eigenschappen vertegenwoordigt die in een cultuur in hoog aanzien
staan. (Bijv.: Nelson Mandela, Johan Cruijff, Willem van Oranje, Napoleon, etc.)
Symbool: Een voorwerp, een teken of een gebaar dat verwijst naar een persoon, een idee of een
kwaliteit. (Bijv.: kleding, woorden, gebaren, beelden, kleuren (‘ons oranje’), voorwerpen, etc.)
Praktijken: Kunnen uitdrukking geven aan elementen van het ui-diagram. (Bijv.: allerlei gewoonten,
muziek, beeldende kunst, drama, spel en literatuur.)
Muziek, literatuur, dans en spel laten aantrekkelijke kanten van cultuur zien.
1.3 Levensbeschouwing en religie
Levensbeschouwing: De verklaring van allerlei verschijnselen en gebeurtenissen uit de alledaagse
werkelijkheid.
Religie: De verklaring van allerlei verschijnselen en gebeurtenissen buiten de alledaagse
werkelijkheid.
Behoeften volgens Bronislaw Malinowinski (1955):
- Biologische behoeften: bijv. voedsel en voortplanting
, - Instrumentele behoeften: bijv. wetten en opvoeding
- Integratieve behoeften: bijv. religie en kunst
Immanente: het binnenwereldse, relatief buitenmenselijke (magie)
Transcendente: het buitenwereldse, relatief buitenmenselijke (religie)
Sjamanisme: de manipulatie van krachten binnen een personalistische attributie
1.4 Attributies
Attributie: de verklaring waar ieder mens naar zoekt voor het geen hem overkomt. Waarom ik?
Waarom nu?
Externe attributie: men zoekt de oorzaak buiten zichzelf
Interne attributie: men schrijft het probleem aan zichzelf toe
Zingevende attributies: ‘sinds ik dat infarct heb overleefd, ben ik meer gaan genieten van het leven,
het kan immers zo afgelopen zijn’
2 attributies voor wat betreft ziekte en rampspoed: de personalistische en de naturalistische
- Bij ziekte, 3 aspecten: sickness (de klacht), illness (de subjectieve wijze waarop men met de
klacht omgaat, deze is sterk cultureel bepaald), disease (de objectief vast te stellen oorzaak
van de klacht).
1.4.1 Personalistische attributie
Binnen een personalistische attributie zoekt men de oorzaak van problemen of ziekte bij god(en),
geesten of mensen.
Possessie (bezetenheid, door demonen): problemen toegeschreven aan kwade geesten die een mens
kunnen aanraken, slaan of bezit van iemand kunnen nemen.
Zwarte magie: is in de meeste religies verboden. De tovenarij wordt vaak toegeschreven aan een
vijandig persoon.
Het nocebo-effect: lijkt erg op het placebo-effect. Als je gelooft dat iets werkt dan werkt het ook.
Amulet: een voorwerp dat een beschermende invloed heeft op degene die het draagt.
1.4.2 Naturalistische attributie
De naturalistische attributie heeft vooral betrekking op ziekte. Ziekte wordt hier vanuit een
onpersoonlijke oorzaak verklaard. Genezers trachten het verstoorde evenwicht in het lichaam te
herstellen, zonder dat de oorzaak achterhaald hoeft te worden. De naturalistische attributie is,
evenals veel vormen van alternatieve geneeskunde in het Westen, gebaseerd op volksempirie.
Ook huismiddeltjes vallen onder de naturalistische attributie.
Volksempirie: wil hier zeggen dat de geneeskunde gebaseerd is op het uitproberen van talloze
middeltjes, waarvan de beste overblijven.
Humoraalpathologie: de uit de klassieke Griekse oudheid overgeleverde opvattingen over
gezondheid en ziekte.
- Sanguinisch (emotioneel): zo wordt iemand met een overmaat aan bloed genoemd.
- Cholerisch (opvliegend) temperament: te veel witte gal.
- Melancholisch (zwartgallig): een overmaat aan zwarte gal.
(‘Met nieuwe ogen’ H1 t/m 1.4 + H2 t/m 2.4)
Hoofdstuk 1: Cultuur en cultuurelementen
1.1 Inleiding
Onze samenleving is bezig te veranderen in een global village. Dit alles is boeiend en verrijkend, maar
vraagt van ons dat we meer dan vroeger oog moeten hebben voor de cultuur en achtergrond van
anderen. Binnen het beroepsonderwijs is er dan ook een toenemende belangstelling voor
internationalisering. Er is een proces van transculturalisatie op gang gekomen.
Transculturalisatie: een veranderingsproces met als doel de realisatie van een gelijkwaardige positie
van iedereen, ongeacht zijn/haar culturele achtergrond.
1.2 Cultuur
Cultuur: (een veel gebruikte definitie hiervan:) Een samenhangend stelsel van voorstellingen,
opvattingen, kennis, gewoonten, verwachtingen, waarden en normen dat de leden van een
samenleving overdragen aan volgende generaties. (Dit lijkt statisch, cultuur is echter dynamisch.)
‘Een dynamisch proces van uitstraling, opname, wijziging, confrontatie, verwerping, reconstructie en
interventie.’
‘Een samenhangend stelsel van oplossingen voor bepaalde problemen.’
Traditie: Een oud cultureel gebruik dat de nieuwe krachten van differentiëring en integratie
tegengaat. Ofwel, cultuurelementen die blijven bestaan terwijl het probleem al lang is opgelost.
Waarde: Een object dat voor de leden van een groep emotionele betekenis heeft, maar staat ook
voor de emotionele betekenis zelf die de leden van een groep ergens aan hechten. (Bijv.:
zelfontplooiing, zekerheid, gezondheid, vriendschap, respect, etc.)
Norm: Een gedragsregel. Deze regel kan van tweeërlei aard zijn: statistisch, de meerderheid gedraagt
zich als in de norm beschreven, of ideëel, men behoort zich als in de norm gesteld te gedragen.
Normen zijn van waarden afgeleid. (Bijv.: opstaan voor een oudere, etc.)
De definities van cultuur in 5 categorieën (volgens Kloos 1995):
1. Opsommende definities: Cultuur is een samenhangend stelsel van wetten, kunst, gewoonten,
etc., dat mensen zich eigen maken als lid van een bepaalde gemeenschap.
2. Historische definities: Cultuur is het van de voorouders geërfde stelsel van gewoontes en
aannames dat ons leven bepaalt.
3. Normatieve definities: Een samenleving bestaat uit mensen, de wijze waarop ze zich
gedragen bepaalt hun cultuur.
4. Psychologische definities: Cultuur is een gezamenlijk aangeleerd patroon van gedragingen
waardoor biologische behoeften gereguleerd worden.
5. Structurele definities: Cultuur bestaat uit vaste onderling samenhangende gewoonten van
bepaalde sociale groepen.
,1.2.1 Elk individu kent meerdere culturen
‘Er is een even groot verschil tussen ons en onszelf als tussen ons en anderen.’
We vergeten vaak meerdere culturen en sociale identiteiten kent naast zijn etnische cultuur,
namelijk sekse, opleiding, leeftijd, beroep, etc.
Cultuurelementen zijn onderdelen van een cultuur die kenmerkend zijn voor een bepaalde
(groeps)cultuur.
1.2.2 Hoe een cultuur te leren kennen?
Een hulpmiddel om enig inzicht in een cultuur te krijgen, is ‘het ui-diagram van Hofstede (1993)’. Het
bestaat uit een aantal elementen: waarden, rituelen, helden, symbolen. Deze worden zichtbaar
gemaakt door praktijken (zoals tradities en cultuuruitingen).
De ui is een symbool voor de verschillende lagen van een cultuur, maar ook een metafoor: hoe
dieper men erin snijdt, hoe meer tranen er komen!
Waarde: Een object dat voor de leden van een groep emotionele betekenis heeft, maar staat ook
voor de emotionele betekenis zelf die de leden van een groep ergens aan hechten. (Bijv.:
zelfontplooiing, zekerheid, gezondheid, vriendschap, respect, etc.)
Ritueel: Sterk geformaliseerd gedrag ten aanzien van bepaalde waarden. (Bijv.: godsdienstige
rituelen, omgangsvormen (hoe men zich groet etc.), manieren van gedrag bij feesten, begrafenissen,
huwelijken etc.)
Overgangsrituelen (rites de passage): Rituelen met als functie mensen te helpen bij
belangrijke overgangsfasen in het leven. Vaak versterken ze ook de saamhorigheid binnen
een gemeenschap. (Bijv.: geboorte, pubertijd, ouderschap, huwelijk en dood.)
Intensiveringsrituelen: Worden gehouden bij crises in de gemeenschap en dienen om de
gemeenschapszin te versterken. (Bijv.: de dodenherdenking op 4 mei, de herdenking van de
MH17 ramp, moor ook bijv. een feest als koningendag.)
Held: Iemand die voor een groep een belangrijk identificatiemodel is. Het kan gaan om een levende
of reeds overleden persoon die eigenschappen vertegenwoordigt die in een cultuur in hoog aanzien
staan. (Bijv.: Nelson Mandela, Johan Cruijff, Willem van Oranje, Napoleon, etc.)
Symbool: Een voorwerp, een teken of een gebaar dat verwijst naar een persoon, een idee of een
kwaliteit. (Bijv.: kleding, woorden, gebaren, beelden, kleuren (‘ons oranje’), voorwerpen, etc.)
Praktijken: Kunnen uitdrukking geven aan elementen van het ui-diagram. (Bijv.: allerlei gewoonten,
muziek, beeldende kunst, drama, spel en literatuur.)
Muziek, literatuur, dans en spel laten aantrekkelijke kanten van cultuur zien.
1.3 Levensbeschouwing en religie
Levensbeschouwing: De verklaring van allerlei verschijnselen en gebeurtenissen uit de alledaagse
werkelijkheid.
Religie: De verklaring van allerlei verschijnselen en gebeurtenissen buiten de alledaagse
werkelijkheid.
Behoeften volgens Bronislaw Malinowinski (1955):
- Biologische behoeften: bijv. voedsel en voortplanting
, - Instrumentele behoeften: bijv. wetten en opvoeding
- Integratieve behoeften: bijv. religie en kunst
Immanente: het binnenwereldse, relatief buitenmenselijke (magie)
Transcendente: het buitenwereldse, relatief buitenmenselijke (religie)
Sjamanisme: de manipulatie van krachten binnen een personalistische attributie
1.4 Attributies
Attributie: de verklaring waar ieder mens naar zoekt voor het geen hem overkomt. Waarom ik?
Waarom nu?
Externe attributie: men zoekt de oorzaak buiten zichzelf
Interne attributie: men schrijft het probleem aan zichzelf toe
Zingevende attributies: ‘sinds ik dat infarct heb overleefd, ben ik meer gaan genieten van het leven,
het kan immers zo afgelopen zijn’
2 attributies voor wat betreft ziekte en rampspoed: de personalistische en de naturalistische
- Bij ziekte, 3 aspecten: sickness (de klacht), illness (de subjectieve wijze waarop men met de
klacht omgaat, deze is sterk cultureel bepaald), disease (de objectief vast te stellen oorzaak
van de klacht).
1.4.1 Personalistische attributie
Binnen een personalistische attributie zoekt men de oorzaak van problemen of ziekte bij god(en),
geesten of mensen.
Possessie (bezetenheid, door demonen): problemen toegeschreven aan kwade geesten die een mens
kunnen aanraken, slaan of bezit van iemand kunnen nemen.
Zwarte magie: is in de meeste religies verboden. De tovenarij wordt vaak toegeschreven aan een
vijandig persoon.
Het nocebo-effect: lijkt erg op het placebo-effect. Als je gelooft dat iets werkt dan werkt het ook.
Amulet: een voorwerp dat een beschermende invloed heeft op degene die het draagt.
1.4.2 Naturalistische attributie
De naturalistische attributie heeft vooral betrekking op ziekte. Ziekte wordt hier vanuit een
onpersoonlijke oorzaak verklaard. Genezers trachten het verstoorde evenwicht in het lichaam te
herstellen, zonder dat de oorzaak achterhaald hoeft te worden. De naturalistische attributie is,
evenals veel vormen van alternatieve geneeskunde in het Westen, gebaseerd op volksempirie.
Ook huismiddeltjes vallen onder de naturalistische attributie.
Volksempirie: wil hier zeggen dat de geneeskunde gebaseerd is op het uitproberen van talloze
middeltjes, waarvan de beste overblijven.
Humoraalpathologie: de uit de klassieke Griekse oudheid overgeleverde opvattingen over
gezondheid en ziekte.
- Sanguinisch (emotioneel): zo wordt iemand met een overmaat aan bloed genoemd.
- Cholerisch (opvliegend) temperament: te veel witte gal.
- Melancholisch (zwartgallig): een overmaat aan zwarte gal.