H 1 Klassieken
Oudheid tot en met de
vierde eeuw
, 1. Klassieken
Tragedies en Komedies
● Bij de tragedie staat centraal altijd een onoplosbaar conflict en
hoe het personage hier mee omgaat. Vaak heeft de hoofdpersoon
een fout begaan, waarvoor hij wordt bestraft. Wanneer hij zijn
fouten inziet, is het te laat. Tragisch brengen herkenning en
identificatie. Publiek leert eigen leven beter begrijpen, inzien dat
leiden bij het leven hoort. Doordat we met personage
identificeren, ontstaat er saamhorigheid.
● De filosoof Aristoteles hecht belang aan de eenheid van tijd,
plaats en tijd. Het verhaal moet zich op 1 dag en 1 plaats afspelen.
Hij vindt ook dat er een centrale verhaallijn moet zijn. (geen
zijsprongen) En dat het publiek angst en medelijden voelt.
● Een voorbeeld van een tragedie is ‘Koning Oedipus’.
● De komedies zijn satirisch, vol straattaal, schunnige grappen en
referenties naar de politieke actualiteit. Bij de komedie wordt er
levendig of zelfs obsceen gedanst.
Theater
● Griekse theaters hebben natuurlijke ligging op heuvel. Een van de
best bewaarde Griekse theaters is dat van Epidaurus. Akoestiek
goed.