Een proces van sociale interactie waarin een zender via een medium met een bepaalde bedoeling
(bewust of onbewust) informatie geven aan een ontvanger die deze hoe dan ook verwerkt.
Definitie verschillen: ontvanger, zender, verbinding, het vergemeenschappelijken, transmissie,
symboolgebruik
Fundamentele verschillen zijn te onderscheiden op de terreinen:
- Observatieniveau: breed geformuleerd, communicatie algemeen – concreter en beperkter.
- Intentionaliteit: bewuste communicatie
Non-intentionaliteit: De zender heeft niet de intentie te communiceren, maar laat wel een boodschap
overkomen bij de ontvanger.
- Normatief oordeel: niet of wel geslaagde overdracht
- Wederkerigheid: Eenrichtingsverkeer (lineair proces) of tweerichtingsverkeer (circulair proces)
Verschillende benadering communicatiewetenschap:
- Massacommunicatie en Interpersoonlijke communicatie
- Sociologisch (relaties media en maatschappelijke processen), psychologisch (communicatie
gedrag van individuen en individuele reacties mediaboodschappen. Sociaal –psychologisch:
problemen tussen mensen en omgeving.
- Procesbenadering (zender boodschap naar ontvanger met een bepaald doel) en
betekenisbenadering (interpretatie van communicatieboodschappen door mensen)
Visies op communicatie:
- Actiegericht
- Effectiviteitgericht (eenrichtingsverkeer)
- Interactief gericht/procesgericht (tweerichtingsverkeer)
Synchronische/Asymmetrische communicatie: vooropgezet doel verwezenlijken
Diachronische/Symmetrische communicatie: zender en ontvanger staan op gelijk niveau.
Communicatiemodel: modellen zijn abstractie van werkelijkheid, berusten op keuzes van elementen.
Lineaire communicatiemodellen = eenrichtingsverkeer = monologische modellen. Shannon en Weaver
Encoderen decoderen
Bron verzender kanaal ontvanger bestemming
Boodschap signaal signaal boodschap
ruis
Circulaire communicatiemodellen = tweerichtingsverkeer = dialogische modellen. Grunig en Hunt
Zender Boodschap Medium Boodschap Ontvanger
encoderen decoderen
Model soorten:
- Structurele/ analytische modellen: elementen samenhangen en betekenis zichtbaar
- Stoommodellen (flow models): beweging en samenhang tussen gebeurtenissen zichtbaar.
- Balansmodellen: relaties en wisselwerking tussen elementen
- Operationele modellen: voorspellingen, strategieën, communicatieprogramma’s en metingen.
- Interactieve modellen: tweerichtingsverkeer
Grunig en Hunt communicatiebeleidsmodellen
A. Publicity (propagandamodel)= organisaties media (positief) (subjectief)
B. Public Information (voorlichtings- of journalistieke model)= organisaties publieksgroepen
(objectief)
C. Two-way asymmetrical (marketingmodel) = beïnvloeden van houding doelgroep (objectief)
D. Two-way symmetrical (public affairs- model) = oplossen conflicten. Ideeën, houding en gedrag
verandering doelgroep en organisatie (subjectief)
,Communicatie als staffunctie
Als de afdeling communicatie rechtstreeks onder de directie valt en daaraan rapporteert
Communicatie als lijnfunctie
Als de afdeling communicatie onder een bepaalde dienst of sector binnen de organisatie valt
Encoderen: zender zet gedachte in een boodschap
Decoderen: ontvanger zet de boodschap om in zijn eigen gedachte.
Ruis:
Interne: communicatie wordt verstoord door factoren binnen het communicatieproces.
Externe: communicatie wordt verstoord door factoren buiten het communicatieproces.
Role taking/ feed forward/ empathische communicatie: vooraf inschatten van de ontvanger en zijn
boodschap daarop afstemmen.
Redundantie:
Overtollige van informatie. (veel woorden/ steeds hetzelfde) (te veel = irritatie)
- Functionele redundantie: zinvolle redundantie (samenvatting)
- Disfunctionele redundantie: storende herhalingen (rapport, voordracht)
- A- functionele redundantie: niet storend maar past ook niet (verkiezingscampagne)
Perceptie: vorm van organiseren en structureren (op eigen ervaringen een beeld vormen)
Selectieprocessen: beïnvloeden het effect van communicatie:
- Selectieve exposure: van tevoren positief of negatief opstellen.
- Selectieve perception: datgene waarnemen dat aansluit bij je eigen gevoelens en
overtuigingen.
- Selectieve adaption: datgene wat wordt waargenomen passend maken. (wel of niet lezen)
- Selectieve retention: onthouden die bij je passen (artikelen onthouden)
- Selectieve distribution: doorgeven.
Cognitieve dissonantie: handelen tot het gevoel of ‘tegen beter weten’
Getrapte/ volgtijdelijke communicatie: Kennis (cognitief) Houding (affectief) Gevoel (conatief)
Attitudes: de aangeleerde neiging om op consequente manier te reageren op bepaalde zaken, ideeën
of personen.
Communicatiesoorten (belangrijkste):
- Intrapersoonlijke communicatie: communicatie binnen jezelf (in jezelf praten)
- Interpersoonlijke communicatie: direct contract communicerende partijen
- Massacommunicatie: Openbaar, voor iedereen,
- Intentionele communicatie: bewuste communicatie
- Niet- intentionele communicatie: niet bewuste communicatie
- Concerncommunicatie : beeldvorming van de gehele organisatie op lange termijn
Communicatiemodaliteiten:
communicatiewijzen die zich onderscheiden
van andere vormen van communicatie
, Communicatietechnieken:
- Ablenkung/ displacement: aandacht belangrijks afleiden door onbelangrijk te vestigen.
- Bandwagon / glittering generalities: beroep op de emotie door schitterende dingen te
verkondigen.
- Canvassing: persoonlijke benaderingen met als doel: stemmen of leden te winnen
- Card stracking: feiten door 1 kant te bekijken
- Claimen van uitspraken: uitspraken bekendheden
- Geruchtverspreiding / grapevine: geruchten gebruiken om mensen te beïnvloeden naar jouw
mening.
- Herhaling: boodschap herhalen. Meer geloving.
- Identificatie: diegene gebruikt het jij toch ook?
- Manipuleren: niet bewust van beïnvloeding (gedrag, houding, kennis)
- Ongeoorloofde stilte: bewust zwijgen van feiten (niet liegen)
- Orkestratie: boodschap formuleren op toonhoogte en stijl, op eigen niveau horen en lezen.
- Retoriek: veel woorden en vormen gebruiken zonder iets te zeggen (politiek)
- Scapegoating: een zondebok verantwoordelijk stellen voor negatieve dingen
- Testimonial / evangelisatie: mensen die overtuigt zijn andere mensen overtuigen (bekende)
Theorieën massacommunicatie:
- Injectienaaldtheorie / Stimulus-responstheorie: boodschap zender accepteren. Als een spons
opzuigen en ernaar gaan gedragen.
- Two-step-flow theorie: Boodschap gaat van zender naar opinieleider
en vervolgens van opinieleider naar volgelingen (interpersoonlijke communicatie)
- Multi-step flow theorie: effect media: eigenschappen publiek ontvanger actief.
- Myceliummodeltheorie/zwamvlokmodel: proces uitwisseling van mening gezamenlijke
interesse
- Uses-and-gratifications theorie: behoefte bevredigen
- Kritische – mediatheorie: massamedia die functioneert in het gehele maatschappelijke proces
- Agendasettingtheorie: gespreksagenda. Intrapersoonlijke: voor individu belangrijk.
Interpersoonlijke: met andere over praten. Gemeenschappelijke: onderwerpen voor
gemeenschap belangrijk.
- Mediating – factorstheorie: de gemeenschap (stabiliteit, veranderingen, conflicten), media
(functies), publiek (interesses, behoeften)
- Theorie van de specifieke media-invloed: Zintuiglijke patronen aangesproken en veranderd.
- Kennisklooftheorie: kenniskloof ‘kennisarm’ ‘kennisrijk’ door massamedia groter.
- Theorie van de cultural indicators: zware tvkijkers = op werkelijkheid baseren.
Framing: (inkaderen): idee dat mensen situaties en informatie construeren, presenteren en
interpreteren aan de hand van bepaalde kaders
Sociologische stromingen: groepsgedrag binnen en tussen groepen.
- Functionalisme: functioneren van individu en samenleving. Oorzaken, gevolgen gedrag.
- Fenomenologie: afleiden van eigenschappen en ervaringen van andere vanuit eigen
ervaringen. (subjectief, van binnen uit, zingeving.)
- Symbolisch interactionisme: De studie van symbolen die in de omgang van mensen worden
gebruikt. Betekenisgeving aan sociale processen tussen mensen, relatie.
- Kritische sociologie: oplossingen zoeken voor problemen voor niet functioneren.
- Etnomethodologie: subgroepen
- Conflictsociologie: aard en wezen van conflicten. Conflict maakt deel uit van samenleving
Psychologische stromingen: individueel gedrag
- Behaviorisme of gedragsleer: objectieve (uiterlijke) waarneembare kenmerken
- Psychoanalyse: feit: menselijk bewustzijn verbergt menselijk denken.
- Gestaltpsychologie: waarnemen in ordenende volgorde.
- Humanistische psychologie: behoefteladder: primaire biologische behoeften,
bestaanszekerheid, sociale behoeften, erkenning, zelf- actualisatie.
Sociale psychologie: wisselwerking tussen individu en omgeving. meten
Model van Rokeach:
Waarden: Levensdoelstellingen: verantwoordelijkheid, vriendschap, trouw.
Instrumentele: opvattingen hoe de levensdoelstellingen worden bereikt.