Aansprakelijkheidsrecht Samenvatting
Aansprakelijkheidsrecht Samenvatting Week 1
201a. Proportionele aansprakelijkheid
Wat is rechtens wanneer iemand ziek is geworden en deze ziekte het gevolg kan zijn van de
onrechtmatige aan een ander toe te schrijven gebeurtenis doch ook van andere, niet aan die
ander toe te rekenen omstandigheden of zelfs aan een combinatie van de twee?
→ De eerste is een alles-of-niets-benadering.
→ De tweede benadering is een zogenoemde proportionele benadering waarin de aan de
casus inherente onzekerheid over eiser en gedaagde wordt verdeeld. Beslissend zal dan in
de regel zijn de omvang van de kans dat de onrechtmatige gebeurtenis de oorzaak is.
In de rechtspraak van de HR in het kader van art. 7:658 BW in het arrest Nefalit/Karamus
toepassing gegeven gaan de proportionele benadering:
Het gaat om een werknemer die tijdens zijn werk is blootgesteld aan asbest en bij wie longkanker
wordt geconstateerd. Hij spreekt zijn werkgever vervolgens ex art. 7:658 BW aan doch zijn werkgever
wijst aansprakelijkheid af onder meer vanwege de reële kans dat de rookgewoonten van de
werknemer de oorzaak zijn van de longkanker. Op basis van een deskundigenbericht wordt de kans
dat de kanker is veroorzaakt door de asbestblootstelling geschat op 55%. Het Hof wijst vervolgens
55% van de vordering toe.
HR: ‘de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag
veroordelen, met vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de,
op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin de aan de werknemer toe te rekenen
omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.’
215. Een (bewijs)probleem in de vestigingsfase
Onduidelijkheid over de causale relatie tussen gedraging en schade → Wie heeft de
bewijslast met betrekking tot (het ontbreken van) het causale verband?
Art. 150 Rv → Het causale verband dient door de gelaedeerde te worden gesteld en bij
betwisting door de aangesproken persoon ook door hem te worden bewezen.
Hoge Raad heeft uitzonderingen aangenomen → omkeringsregel.
In het kader van schending van verkeersnormen heeft de HR beslist dat het causale verband
in beginsel is gegeven, wanneer een gedraging onrechtmatig is, omdat daardoor het gevaar
voor verkeersongevallen in het algemeen wordt vergroot en het gevaar zich heeft
verwezenlijkt in de vorm van een verkeersongeval.
Schending van veiligheidsnormen. In het algemeen is het voldoende dat het slachtoffer
aannemelijk maakt dat de normschending betrekking heeft op regels die naar hun aard
strekken tot bescherming tegen het gevaar van ongelukken dan wel dat de normschending
dat gevaar in aanmerkelijke mate heeft verhoogd. Verwezenlijkt het bewuste gevaar zich dan
is het aan de aangesproken persoon om te bewijzen dat het naleven van de betrokken
regels de verwezenlijking van het gevaar (waarschijnlijk) niet had kunnen voorkomen.
De HR spreek van de ‘regel’ dat indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan
te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is
geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen
die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die
op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die
schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. → is voldoende dat de aangesprokene
,aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou
zijn ontstaan.
Omkeringsregel:
→ eerste plaats duidelijk is welk risico de aangesproken partij in het leven heeft geroepen,
normschending;
→ tweede plaats dat duidelijk is dat dat risico zich vervolgens verwezenlijkt heeft.
Voor het maken van deze uitzondering op art. 150 Rv is alleen plaats voor zover het gaat om
schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van
schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het
algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot.
7. Verschillende grondslagen
Verschillende grondslagen aansprakelijkheid:
- De klassieke aansprakelijkheid voor eigen onrechtmatig handelen, die aansluit bij het
rechtsgevoel van ieder weldenkend mens dat men heeft in te staan voor de schade
die men door eigen onbehoorlijk handelen heeft veroorzaakt;
- Aansprakelijkheid voor de fouten van anderen → men draagt het risico voor de fouten
van die ander;
- Aansprakelijkheid voor bepaalde (gebrekkige of gevaarlijke) zaken.
8. Over schuld, fout en risico
Risico → hoeft de aansprakelijkheid niet te berusten op enig verwijtbaar gedrag van de
aansprakelijk gestelde.
Schuld → berust de aansprakelijkheid op enige vorm van verwijt → verwijtbaar onrechtmatig
gedrag
Risicoaansprakelijkheid → buiten onrechtmatigheid en schuld → verwijst naar een
aansprakelijkheid die niet uitsluitend gebaseerd op tekortkomingen in het gedrag van de
aansprakelijk gestelde persoon, maar mede op bepaalde, specifiek omschreven risico’s die
voor rekening van de aansprakelijke persoon komen.
Schuldaansprakelijkheid staat voor aansprakelijkheid voor eigen fouten, terwijl
risicoaansprakelijkheid gebruikt wordt voor het toereken van gevolgen (mede) op basis van
andere criteria dan de eigen fout.
9. Doel en functie van het aansprakelijkheidsrecht
Voor verplaatsing van schade van het slachtoffer naar een derde is een rechtvaardiging
nodig. Over de rechtvaardiging bestaan verschillende theorieën:
- Schuldleer → schade kan alleen worden afgewenteld op een ander wanneer deze
laatste iets te verwijten valt;
- Risicoleer → onder bepaalde omstandigheden behoort aan een ander toegebrachte
schade voor risico van de ‘dader’ te komen;
- Profijttheorie → deze is er op gebaseerd dat degene die van bepaalde activiteiten,
personen of zaken het profijt heeft ook de daaraan verbonden risico’s moet dragen.
Kwalitatieve aansprakelijkheid
83. Drie leeftijdscategorieën
Voor schade veroorzakende gedragingen van kinderen tot 14 jaar rust op de ouders
of voogden een risicoaansprakelijkheid → art. 6:169 lid 4 BW.
, Van 14 en 15 jaar geldt een weerlegbaar vermoeden van fout aan de zijde van
degenen die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefenen. Tenzij de ouder of voogd
erin slaagt zich te disculperen, is hij o.g.v. art. 6:169 lid 2 BW aansprakelijk naast het
kind (dat o.g.v. art. 6:162 BW aansprakelijk is).
16 jaar of ouder schrijft de wet geen kwalitatieve aansprakelijkheid voor. Ouders of
voogden van kinderen van 16 jaar of ouder kunnen derhalve niet o.g.v. art. 169 BW
aansprakelijk zijn. Zij kunnen eventueel wel, als zij zelf ook een onrechtmatige daad
hebben gepleegd, bijv. door aanmoediging of uitlokking van het
schadeveroorzakende gedrag, aansprakelijk zijn o.g.v. art. 6:162 BW.
Kinderen tot veertien jaar
85. Vereisten voor aansprakelijkheid
Vereisten:
- Dat de schade toebrengende gedraging van het kind bestaat in een ‘als een doen te
beschouwen gedraging’;
- Deze gedraging moet het kind als een onrechtmatige daad kunnen worden
toegerekend ‘als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan’. De beperking tot ‘als
een doen te beschouwen gedraging’ voorkomt dat de in art. 6:169 BW verankerde
aansprakelijkheid mede betrekking heeft op schade als gevolg van een nalaten van
het kind.
Kinderen van veertien en vijftien jaar
86. Maatstaf voor aansprakelijkheid
Zij zelf zijn (ook) tot vergoeding van de schade gehouden, wanneer aan alle voorwaarden
voor aansprakelijkheid is voldaan. Nochtans rust op de ouders aansprakelijkheid, tenzij hun
niet kan worden verweten de gedraging van het kind niet te hebben belet (art. 6:169 lid 2
BW). Vereist is dat het kind een fout heeft begaan. Onrechtmatige daad. Vermoed wordt dat
de ouders onvoldoende zorg hebben betracht, maar dit vermoeden kan door de
aangesproken ouders worden weerlegd, in welk geval alleen het kind aansprakelijk is.
Aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken
96. Inleiding
Art. 6:173 BW → eisen:
- Sprake moet zijn van een roerende zaak, waarvan;
- Bekend is, dat zij, zo;
- Niet is voldaan aan de daaraan te stellen eisen;
- Een bijzonder gevaar oplevert voor;
- Personen of zaken.
98. Gebrek vereist
Gebrek →Intrinsiek gebrek, een abnormaal gebrek of het hebben van een eigenschap die de
zaak niet behoort te hebben. Binnen zekere grenzen spelen de Kelderluikcriteria ook hier
een rol: de kans op schade, de ernst daarvan wanneer zij op treedt en de kosten gemoeid
met voorkoming daarvan.
Beslissend is of aan de zaak een gebrek kleeft. Brengt zij door een ongelukkige plaatsing
schade teweeg, dan leidt dat niet tot aansprakelijkheid krachtens deze bepaling.
99. Bijzonder gevaar
Niet het algemene gevaar dat aan vrijwel iedere zaak kleeft.
100. Bekendheid
Aansprakelijkheidsrecht Samenvatting Week 1
201a. Proportionele aansprakelijkheid
Wat is rechtens wanneer iemand ziek is geworden en deze ziekte het gevolg kan zijn van de
onrechtmatige aan een ander toe te schrijven gebeurtenis doch ook van andere, niet aan die
ander toe te rekenen omstandigheden of zelfs aan een combinatie van de twee?
→ De eerste is een alles-of-niets-benadering.
→ De tweede benadering is een zogenoemde proportionele benadering waarin de aan de
casus inherente onzekerheid over eiser en gedaagde wordt verdeeld. Beslissend zal dan in
de regel zijn de omvang van de kans dat de onrechtmatige gebeurtenis de oorzaak is.
In de rechtspraak van de HR in het kader van art. 7:658 BW in het arrest Nefalit/Karamus
toepassing gegeven gaan de proportionele benadering:
Het gaat om een werknemer die tijdens zijn werk is blootgesteld aan asbest en bij wie longkanker
wordt geconstateerd. Hij spreekt zijn werkgever vervolgens ex art. 7:658 BW aan doch zijn werkgever
wijst aansprakelijkheid af onder meer vanwege de reële kans dat de rookgewoonten van de
werknemer de oorzaak zijn van de longkanker. Op basis van een deskundigenbericht wordt de kans
dat de kanker is veroorzaakt door de asbestblootstelling geschat op 55%. Het Hof wijst vervolgens
55% van de vordering toe.
HR: ‘de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag
veroordelen, met vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de,
op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin de aan de werknemer toe te rekenen
omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.’
215. Een (bewijs)probleem in de vestigingsfase
Onduidelijkheid over de causale relatie tussen gedraging en schade → Wie heeft de
bewijslast met betrekking tot (het ontbreken van) het causale verband?
Art. 150 Rv → Het causale verband dient door de gelaedeerde te worden gesteld en bij
betwisting door de aangesproken persoon ook door hem te worden bewezen.
Hoge Raad heeft uitzonderingen aangenomen → omkeringsregel.
In het kader van schending van verkeersnormen heeft de HR beslist dat het causale verband
in beginsel is gegeven, wanneer een gedraging onrechtmatig is, omdat daardoor het gevaar
voor verkeersongevallen in het algemeen wordt vergroot en het gevaar zich heeft
verwezenlijkt in de vorm van een verkeersongeval.
Schending van veiligheidsnormen. In het algemeen is het voldoende dat het slachtoffer
aannemelijk maakt dat de normschending betrekking heeft op regels die naar hun aard
strekken tot bescherming tegen het gevaar van ongelukken dan wel dat de normschending
dat gevaar in aanmerkelijke mate heeft verhoogd. Verwezenlijkt het bewuste gevaar zich dan
is het aan de aangesproken persoon om te bewijzen dat het naleven van de betrokken
regels de verwezenlijking van het gevaar (waarschijnlijk) niet had kunnen voorkomen.
De HR spreek van de ‘regel’ dat indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan
te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is
geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen
die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die
op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die
schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. → is voldoende dat de aangesprokene
,aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou
zijn ontstaan.
Omkeringsregel:
→ eerste plaats duidelijk is welk risico de aangesproken partij in het leven heeft geroepen,
normschending;
→ tweede plaats dat duidelijk is dat dat risico zich vervolgens verwezenlijkt heeft.
Voor het maken van deze uitzondering op art. 150 Rv is alleen plaats voor zover het gaat om
schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van
schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het
algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot.
7. Verschillende grondslagen
Verschillende grondslagen aansprakelijkheid:
- De klassieke aansprakelijkheid voor eigen onrechtmatig handelen, die aansluit bij het
rechtsgevoel van ieder weldenkend mens dat men heeft in te staan voor de schade
die men door eigen onbehoorlijk handelen heeft veroorzaakt;
- Aansprakelijkheid voor de fouten van anderen → men draagt het risico voor de fouten
van die ander;
- Aansprakelijkheid voor bepaalde (gebrekkige of gevaarlijke) zaken.
8. Over schuld, fout en risico
Risico → hoeft de aansprakelijkheid niet te berusten op enig verwijtbaar gedrag van de
aansprakelijk gestelde.
Schuld → berust de aansprakelijkheid op enige vorm van verwijt → verwijtbaar onrechtmatig
gedrag
Risicoaansprakelijkheid → buiten onrechtmatigheid en schuld → verwijst naar een
aansprakelijkheid die niet uitsluitend gebaseerd op tekortkomingen in het gedrag van de
aansprakelijk gestelde persoon, maar mede op bepaalde, specifiek omschreven risico’s die
voor rekening van de aansprakelijke persoon komen.
Schuldaansprakelijkheid staat voor aansprakelijkheid voor eigen fouten, terwijl
risicoaansprakelijkheid gebruikt wordt voor het toereken van gevolgen (mede) op basis van
andere criteria dan de eigen fout.
9. Doel en functie van het aansprakelijkheidsrecht
Voor verplaatsing van schade van het slachtoffer naar een derde is een rechtvaardiging
nodig. Over de rechtvaardiging bestaan verschillende theorieën:
- Schuldleer → schade kan alleen worden afgewenteld op een ander wanneer deze
laatste iets te verwijten valt;
- Risicoleer → onder bepaalde omstandigheden behoort aan een ander toegebrachte
schade voor risico van de ‘dader’ te komen;
- Profijttheorie → deze is er op gebaseerd dat degene die van bepaalde activiteiten,
personen of zaken het profijt heeft ook de daaraan verbonden risico’s moet dragen.
Kwalitatieve aansprakelijkheid
83. Drie leeftijdscategorieën
Voor schade veroorzakende gedragingen van kinderen tot 14 jaar rust op de ouders
of voogden een risicoaansprakelijkheid → art. 6:169 lid 4 BW.
, Van 14 en 15 jaar geldt een weerlegbaar vermoeden van fout aan de zijde van
degenen die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefenen. Tenzij de ouder of voogd
erin slaagt zich te disculperen, is hij o.g.v. art. 6:169 lid 2 BW aansprakelijk naast het
kind (dat o.g.v. art. 6:162 BW aansprakelijk is).
16 jaar of ouder schrijft de wet geen kwalitatieve aansprakelijkheid voor. Ouders of
voogden van kinderen van 16 jaar of ouder kunnen derhalve niet o.g.v. art. 169 BW
aansprakelijk zijn. Zij kunnen eventueel wel, als zij zelf ook een onrechtmatige daad
hebben gepleegd, bijv. door aanmoediging of uitlokking van het
schadeveroorzakende gedrag, aansprakelijk zijn o.g.v. art. 6:162 BW.
Kinderen tot veertien jaar
85. Vereisten voor aansprakelijkheid
Vereisten:
- Dat de schade toebrengende gedraging van het kind bestaat in een ‘als een doen te
beschouwen gedraging’;
- Deze gedraging moet het kind als een onrechtmatige daad kunnen worden
toegerekend ‘als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan’. De beperking tot ‘als
een doen te beschouwen gedraging’ voorkomt dat de in art. 6:169 BW verankerde
aansprakelijkheid mede betrekking heeft op schade als gevolg van een nalaten van
het kind.
Kinderen van veertien en vijftien jaar
86. Maatstaf voor aansprakelijkheid
Zij zelf zijn (ook) tot vergoeding van de schade gehouden, wanneer aan alle voorwaarden
voor aansprakelijkheid is voldaan. Nochtans rust op de ouders aansprakelijkheid, tenzij hun
niet kan worden verweten de gedraging van het kind niet te hebben belet (art. 6:169 lid 2
BW). Vereist is dat het kind een fout heeft begaan. Onrechtmatige daad. Vermoed wordt dat
de ouders onvoldoende zorg hebben betracht, maar dit vermoeden kan door de
aangesproken ouders worden weerlegd, in welk geval alleen het kind aansprakelijk is.
Aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken
96. Inleiding
Art. 6:173 BW → eisen:
- Sprake moet zijn van een roerende zaak, waarvan;
- Bekend is, dat zij, zo;
- Niet is voldaan aan de daaraan te stellen eisen;
- Een bijzonder gevaar oplevert voor;
- Personen of zaken.
98. Gebrek vereist
Gebrek →Intrinsiek gebrek, een abnormaal gebrek of het hebben van een eigenschap die de
zaak niet behoort te hebben. Binnen zekere grenzen spelen de Kelderluikcriteria ook hier
een rol: de kans op schade, de ernst daarvan wanneer zij op treedt en de kosten gemoeid
met voorkoming daarvan.
Beslissend is of aan de zaak een gebrek kleeft. Brengt zij door een ongelukkige plaatsing
schade teweeg, dan leidt dat niet tot aansprakelijkheid krachtens deze bepaling.
99. Bijzonder gevaar
Niet het algemene gevaar dat aan vrijwel iedere zaak kleeft.
100. Bekendheid