Hoorcollege 3 op 20-9 Inleiding tot de rechtswetenschap
Terugblik:
- Descriptief: beschrijvend
- Normatief: voorschrijvend religie, moraal, fatsoen. Recht: eenzijdig afgedwongen door de
overheid
- Rechtssubjecten: elk mens
- Rechtshandeling: bevoegdheid van rechtssubject om rechten te veranderen (contracten etc)
De democratische rechtsstaat:
De overheid kan eenzijdig onze rechten aanpassen, maar hoe weten we zeker dat er geen sprake
gaat komen van rechtsmisbruik? door de democratische rechtsstaat.
Democratie
- Kern van democratie: volk heerst zelf
o Directe democratie: bevolking beslist zelf over de wetten die voor haar gelden, dat
heb je nergens behalve in Zwitserland. Referendum is ook een voorbeeld, die heb je
wel in Europa. In Nederland niet.
o Indirecte democratie: dit hebben we alleen in Nederland er wordt in de naam van
het volk geregeerd.
De wetgevende macht (Staten-Generaal; 1 e en 2e kamer) wordt door de
bevolking gekozen en namens ons wetten vaststelt.
De uitvoerende macht (kabinet (ministers)). Waar haalt deze haar
democratische legitimatie uit?
1. Presidentieel stelsel; de uitvoerende macht wordt gekozen door
het volk.
2. Parlementair stelsel; de ministers worden niet gekozen door het
volk maar ze moeten wel het vertrouwen hebben van de
volksvertegenwoordiging.
o Parlementaire vertrouwensregel: als blijkt dat een van de
Kamers van de Staten-Generaal het vertrouwen in een
minister of staatssecretaris heeft verloren, dient deze zijn
ontslag aan de Koning aan te bieden. Ongeschreven
rechtsregel.
De rechterlijke macht (rechter) heeft nauwelijks democratische legitimatie
want de regering benoemt de rechter.
Rechtsstaat
- Kern van rechtsstaat: de overheid is gebonden aan het recht
o Vroeger hadden we dit niet. Toen was er absolute monarchie; koning boven alles en
beslist wat die wil en is niemand verantwoordelijkheid verschuldigd.
o Bevoegdheidsspreiding (tegenovergestelde absolute monarchie)
Trias politica:
Wetgevende macht; 2e + 1e kamer + regering moet akkoord gaan
Uitvoerende macht; regering (koning + ministers)
Rechterlijke macht (art 112, 113 Gw)
Checks & balances (ene ambt controleert andere óf het samenwerken van 2
ambten)
De gedachte hiervan is dat de machten elkaar kunnen tegenspreken
en controleren zo houden ze een balans
Terugblik:
- Descriptief: beschrijvend
- Normatief: voorschrijvend religie, moraal, fatsoen. Recht: eenzijdig afgedwongen door de
overheid
- Rechtssubjecten: elk mens
- Rechtshandeling: bevoegdheid van rechtssubject om rechten te veranderen (contracten etc)
De democratische rechtsstaat:
De overheid kan eenzijdig onze rechten aanpassen, maar hoe weten we zeker dat er geen sprake
gaat komen van rechtsmisbruik? door de democratische rechtsstaat.
Democratie
- Kern van democratie: volk heerst zelf
o Directe democratie: bevolking beslist zelf over de wetten die voor haar gelden, dat
heb je nergens behalve in Zwitserland. Referendum is ook een voorbeeld, die heb je
wel in Europa. In Nederland niet.
o Indirecte democratie: dit hebben we alleen in Nederland er wordt in de naam van
het volk geregeerd.
De wetgevende macht (Staten-Generaal; 1 e en 2e kamer) wordt door de
bevolking gekozen en namens ons wetten vaststelt.
De uitvoerende macht (kabinet (ministers)). Waar haalt deze haar
democratische legitimatie uit?
1. Presidentieel stelsel; de uitvoerende macht wordt gekozen door
het volk.
2. Parlementair stelsel; de ministers worden niet gekozen door het
volk maar ze moeten wel het vertrouwen hebben van de
volksvertegenwoordiging.
o Parlementaire vertrouwensregel: als blijkt dat een van de
Kamers van de Staten-Generaal het vertrouwen in een
minister of staatssecretaris heeft verloren, dient deze zijn
ontslag aan de Koning aan te bieden. Ongeschreven
rechtsregel.
De rechterlijke macht (rechter) heeft nauwelijks democratische legitimatie
want de regering benoemt de rechter.
Rechtsstaat
- Kern van rechtsstaat: de overheid is gebonden aan het recht
o Vroeger hadden we dit niet. Toen was er absolute monarchie; koning boven alles en
beslist wat die wil en is niemand verantwoordelijkheid verschuldigd.
o Bevoegdheidsspreiding (tegenovergestelde absolute monarchie)
Trias politica:
Wetgevende macht; 2e + 1e kamer + regering moet akkoord gaan
Uitvoerende macht; regering (koning + ministers)
Rechterlijke macht (art 112, 113 Gw)
Checks & balances (ene ambt controleert andere óf het samenwerken van 2
ambten)
De gedachte hiervan is dat de machten elkaar kunnen tegenspreken
en controleren zo houden ze een balans