Inhoudsopgave
Koolhydraten.........................................................................................................................................................................................................................2
Eiwitten.................................................................................................................................................................................................................................7
Vitamine B6.........................................................................................................................................................................................................................13
Vetten..................................................................................................................................................................................................................................17
Energie- en ketonzuurmetabolisme......................................................................................................................................................................................29
Vitamine D...........................................................................................................................................................................................................................33
Calcium................................................................................................................................................................................................................................36
,Koolhydraten
Literatuurbron
Vraag: In welke bron kun je het Nutriënt: Koolhydraten
antwoord vinden?
Wat is de functie, waar is het voor? Functie koolhydraten:
Wat is de chemische structuur? - Leveren energie
- Hersenen en rode bloedcellen hebben glucose nodig om te functioneren
Functie niet verteerbare koolhydraten (vezels):
- Versnellen de passage van het voedsel door het maagdarmkanaal
- Vergroten de hoeveelheid ontlasting
- Beïnvloeden de fermentatie in de dikke darm
- Verlagen de concentratie van LDL-cholesterol in het bloed
- Hebben een gunstig effect op de glucose- en insulineconcentraties in het bloed
Oplosbare vezels: Makkelijk fermenteerbaar in de dikke darm (leveren 2 kcal/g op).
Onoplosbare vezels: Fermenteren niet, verlaten de darm zonder verandering, maar
zorgen voor een goede stoelgang.
Chemische structuur:
Monosacharide (C6H12O6):
- Glucose
- Fructose
- Galactose
Disacharide:
- Maltose= glucose + glucose
- Sacharose= glucose + fructose (tafelsuiker)
- Lactose= glucose + galactose
Disacharide:
, Oligosacharide: 3 – 9 monosacharide aan elkaar gekoppeld.
Polysacharide: zoals de disacharide, maar dan met nog meer monosachariden aan elkaar
geplakt.
- Zetmeel (amylose & amylopectine)
- Glycogeen
- Cellulose
Door een condensatie reactie komt water vrij en gaan monosachariden aan elkaar zitten
Door een hydrolyse reactie wordt water toegevoegd
en gaan disacharide naar monosacharide
Hoe wordt deze stof in het lichaam Vertering:
verwerkt? - In de mond: kauwen & kleine hoeveelheid amylase in speeksel (begin afbraak).
Vertering - Maag: Inactiveert de speekselenzymen omdat de maag een te lage PH waarde
Absorptie heeft (zuur).
Transport - Dunne darm: afbraak van koolhydraten m.b.v. enzymen + absorptie.
Metabolisme - Dikke darm: fermentatie van vezels door darmflora (bacteriën) & onoplosbare
Opslag vezels verlaten de darm onveranderd.
uitscheiding
Absorptie:
In de dunne darm worden de disachariden door het lichaam actief geabsorbeerd, in de
darmwand zitten disacharidasen (maltase, sucrase & lactase) die de disachariden
afbreken tot monosacchariden. De monosacchariden gaan via de poortader naar de
lever. Fructose wordt als brandstof gebruikt of omgezet in glucose, galactose wordt
omgezet in glucose.
Transport:
Monosachariden worden vervoerd in het bloed.
Metabolisme:
, Zie de afbeelding bij energie- en ketonzuurmetabolisme.
Opslag:
Glucose wordt opgeslagen als glycogeen, er is een spier- en leverglycogeen voorraad.
Spierglycogeen wordt gebruikt voor energie voor beweging, leverglycogeen wordt
gebruikt om de bloedsuikerspiegel op peil te houden.
Te veel aan koolhydraten in het lichaam wordt opgeslagen als vet.
Uitscheiding:
Bij de verbranding van glucose komt water en koolstofdioxide vrij. Water verlaat het
lichaam via zweten en via de urine. Koolstofdioxide wordt uitgeademd.
Onverteerbare vezels scheidt je uit via de ontlasting.
Wat is de wisselwerking met andere Het overschot aan glucose wordt opgeslagen in glycogeen in de lever en spier. Wat
voedingsstoffen? hiervan overblijft wordt omgezet in triglyceriden en opgeslagen in vetweefsel.
Als de koolhydraat voorraden op zijn, kan er door middel van gluconeogenese (anabole
reactie = opbouwend, kost energie) glucose worden aangemaakt uit niet
koolhydraatbronnen, zoals glucogene aminozuren, melkzuur en glycerol.
Wat is de Voedingsnormen Koolhydraten:
Gemiddelde behoefte Gemiddelde behoefte: 2,9 g/kg lichaamsgewicht/dag
Aanbevolen hoeveelheid (ADH) ADH: 40 tot 70 en% of 4,1 gram/kg lichaamsgewicht/dag
of AI: -
Adequate inname (AI) van deze
stof? Vezels:
ADH: 3,4 g/MJ = 14 gram / 1000 kcal
Vezels zijn geen essentiële voedingsstof, want leven is in stand te houden zonder.