BLOK 2: THEORIE
INHOUDSOPGAVE
Definities ................................................................................................................................................................. 2
Fysiotherapeutisch handelen .............................................................................................................................. 2
Kwalitatief/kwantitatief onderzoek .................................................................................................................... 3
Evidence Based Practice ...................................................................................................................................... 4
KNGF Richtlijnen enkelletsel ................................................................................................................................... 5
I. Screeningsproces ....................................................................................................................................... 5
II. Diagnostisch proces ................................................................................................................................... 5
III. Therapeutisch proces ................................................................................................................................. 7
Beroepsprofiel: Wet en regelgeving ..................................................................................................................... 13
Bindweefsel (Hoorcolleges + boek) ....................................................................................................................... 14
Dynamiek van de menselijke vorm en bewegen I ............................................................................................. 14
Dynamiek van de menselijk vorm en bewegen II: De adaptieve mens ............................................................. 19
“Diagnostiek in de fysiotherapie” → H2 + 3 ......................................................................................................... 27
H2: Zorgverlening .............................................................................................................................................. 27
H3: Probleemoplossing ..................................................................................................................................... 29
“Extremiteiten” → H6.6 + 6.7 + 6.8 + 10.11 ......................................................................................................... 31
“Van contractie naar actie” → H2......................................................................................................................... 34
1
,DEFINITIES
FYSIOTHERAPEUTISCH HANDELEN
Methodisch handelen
- Planmatig werken: het handelen is gekenmerkt door een voorbedachte, herkenbare, logische
samenhang, planning, uitvoering en verslaglegging.
- Doelgericht werken: het handelen is gericht op het bereiken van een tevoren vastgesteld
helder en concreet doel, samen met de cliënt.
- Procesmatig werken: alle aspecten van het handelen hangen met elkaar samen en
beïnvloeden elkaar voortdurend wederzijds.
- Shared decision making
o Getoonde bewegen (actual performace, attractors)
o Ingeschatte vermogen tot bewegen (capacity, capabilites)
o Praktische externe mogelijkheden, bewegingsomstandigheden, beweegcontext
(opportunity, attractors)
o Motieven en motivatie tot bewegen (drivers, vitality)
1. Screeningsproces
• Anamnese met eventueel lichamelijk onderzoek
• Valt het gepresenteerde gezondheidsprobleem binnen of buiten het beroepsdomein van
de fysiotherapie?
2. Diagnostisch proces
• Op methodische wijze het probleem met bewegen van de cliënt inventariseren en
analyseren, hulpvraag hieraan relateren
• Formuleren van een gewenst en haalbaar behandelplan met expliciete doelen (of een
door- of terug verwijzing)
3. Therapeutisch proces
• In samenspraak met de cliënt het behandelplan toepassen
• Op methodische wijze de geïndiceerde behandelplan uitvoeren
• Evaluatie: evalueren van de behandeling, het resultaat en de gevolgde procedures
(voortdurende evaluatie, ook wel monitoring)
• Afsluiting behandeling
Verrichtingen
Direct cliëntgebonden:
- Anamnese
- Testen, meten, analyseren
- Formuleren van de fysiotherapeutische diagnose
- Begeleiden
- Oefenen
- Toepassen fysische therapie in engere zin
- Toepassen van manuele verrichtingen
Indirect cliëntgebonden:
- Vastleggen en raadplegen van gegevens in het dossier conform de geldende praktijkrichtlijn
verslaglegging van het KNGF
- Communiceren met andere ten behoeve van de cliënt
- Bieden van steun aan naasten van de cliënt
Ondersteunende verrichtingen:
, - Ontwikkelen van het eigen beroep
- Verrichtingen ten behoeve van de vakkennis en de beroeps gebonden competenties
Fysiotherapeut:
- Via een proces van klinisch redeneren tot een specifiek fysiotherapeutische diagnose komen.
- Op basis van een diagnose therapeutische en/of preventieve interventies bepalen en uitvoeren.
- Behandeling aanbieden bij het herstel en het ontwikkelen van het optimale bewegen, bij behoud
en achteruitgang.
- Het handelen onderbouwen mede met kennis uit de (bio)medische wetenschap, de bewegings-
en de gedragswetenschappen.
- Gebruik maken van de International Classification of Functioning (ICF)
- Geen gebruik van therapieën waarvoor geen evidentie bestaat of niet gebaseerd zijn op westerse
rationale.
- Fysiotherapie komt in beeld wanneer er problemen met bewegen zijn waarbij het vermogen tot
aanpassen ontoereikend is (of dreigt te worden). Vervolgens de cliënt met een ziekte of
aandoening begeleiden en te ondersteunen bij het voeren van deze op participatie gerichte
regie.
- Rekening houden met kaders die gevormd worden door wetenschap, beroepsnormen,
(wettelijke)voorschriften, ethische principes en financiële kaders.
KWALITATIEF/KWANTITATIEF ONDERZOEK
Kwalitatief
• Beschrijvend van aart
• Gericht op meningen, opvattingen, ervaringen, gevoelens en gedragingen van personen
• Verkennen en begrijpen
• BV: interviewen
Kwantitatief
• Gericht op het vinden van statische bewijzen
• Feiten
• Uitkomsten die kunnen worden geordend
• BV: enquête, metingen, VAS schaal
, EVIDENCE BASED PRACTICE
Het gewetensvol, expliciet en oordeelkundig gebruik van het aanwezige beste bewijsmateriaal om
behandelingsbeslissingen te nemen in samenspraak met de cliënt.
Oordeelkundig = handelen op bepaalde kennis, interpretatie
Gewetensvol = ethisch handelen, verantwoorden waarom je iets doet
Expliciet = handelen naar buiten brengen
1. Klinische expertise
2. Externe evidentie
3. Waarden van een patiënt
• Allemaal even belangrijk
• Klinische expertise heb ik nog niet
• Handelen op de best mogelijke manier, EBP als houvast
INHOUDSOPGAVE
Definities ................................................................................................................................................................. 2
Fysiotherapeutisch handelen .............................................................................................................................. 2
Kwalitatief/kwantitatief onderzoek .................................................................................................................... 3
Evidence Based Practice ...................................................................................................................................... 4
KNGF Richtlijnen enkelletsel ................................................................................................................................... 5
I. Screeningsproces ....................................................................................................................................... 5
II. Diagnostisch proces ................................................................................................................................... 5
III. Therapeutisch proces ................................................................................................................................. 7
Beroepsprofiel: Wet en regelgeving ..................................................................................................................... 13
Bindweefsel (Hoorcolleges + boek) ....................................................................................................................... 14
Dynamiek van de menselijke vorm en bewegen I ............................................................................................. 14
Dynamiek van de menselijk vorm en bewegen II: De adaptieve mens ............................................................. 19
“Diagnostiek in de fysiotherapie” → H2 + 3 ......................................................................................................... 27
H2: Zorgverlening .............................................................................................................................................. 27
H3: Probleemoplossing ..................................................................................................................................... 29
“Extremiteiten” → H6.6 + 6.7 + 6.8 + 10.11 ......................................................................................................... 31
“Van contractie naar actie” → H2......................................................................................................................... 34
1
,DEFINITIES
FYSIOTHERAPEUTISCH HANDELEN
Methodisch handelen
- Planmatig werken: het handelen is gekenmerkt door een voorbedachte, herkenbare, logische
samenhang, planning, uitvoering en verslaglegging.
- Doelgericht werken: het handelen is gericht op het bereiken van een tevoren vastgesteld
helder en concreet doel, samen met de cliënt.
- Procesmatig werken: alle aspecten van het handelen hangen met elkaar samen en
beïnvloeden elkaar voortdurend wederzijds.
- Shared decision making
o Getoonde bewegen (actual performace, attractors)
o Ingeschatte vermogen tot bewegen (capacity, capabilites)
o Praktische externe mogelijkheden, bewegingsomstandigheden, beweegcontext
(opportunity, attractors)
o Motieven en motivatie tot bewegen (drivers, vitality)
1. Screeningsproces
• Anamnese met eventueel lichamelijk onderzoek
• Valt het gepresenteerde gezondheidsprobleem binnen of buiten het beroepsdomein van
de fysiotherapie?
2. Diagnostisch proces
• Op methodische wijze het probleem met bewegen van de cliënt inventariseren en
analyseren, hulpvraag hieraan relateren
• Formuleren van een gewenst en haalbaar behandelplan met expliciete doelen (of een
door- of terug verwijzing)
3. Therapeutisch proces
• In samenspraak met de cliënt het behandelplan toepassen
• Op methodische wijze de geïndiceerde behandelplan uitvoeren
• Evaluatie: evalueren van de behandeling, het resultaat en de gevolgde procedures
(voortdurende evaluatie, ook wel monitoring)
• Afsluiting behandeling
Verrichtingen
Direct cliëntgebonden:
- Anamnese
- Testen, meten, analyseren
- Formuleren van de fysiotherapeutische diagnose
- Begeleiden
- Oefenen
- Toepassen fysische therapie in engere zin
- Toepassen van manuele verrichtingen
Indirect cliëntgebonden:
- Vastleggen en raadplegen van gegevens in het dossier conform de geldende praktijkrichtlijn
verslaglegging van het KNGF
- Communiceren met andere ten behoeve van de cliënt
- Bieden van steun aan naasten van de cliënt
Ondersteunende verrichtingen:
, - Ontwikkelen van het eigen beroep
- Verrichtingen ten behoeve van de vakkennis en de beroeps gebonden competenties
Fysiotherapeut:
- Via een proces van klinisch redeneren tot een specifiek fysiotherapeutische diagnose komen.
- Op basis van een diagnose therapeutische en/of preventieve interventies bepalen en uitvoeren.
- Behandeling aanbieden bij het herstel en het ontwikkelen van het optimale bewegen, bij behoud
en achteruitgang.
- Het handelen onderbouwen mede met kennis uit de (bio)medische wetenschap, de bewegings-
en de gedragswetenschappen.
- Gebruik maken van de International Classification of Functioning (ICF)
- Geen gebruik van therapieën waarvoor geen evidentie bestaat of niet gebaseerd zijn op westerse
rationale.
- Fysiotherapie komt in beeld wanneer er problemen met bewegen zijn waarbij het vermogen tot
aanpassen ontoereikend is (of dreigt te worden). Vervolgens de cliënt met een ziekte of
aandoening begeleiden en te ondersteunen bij het voeren van deze op participatie gerichte
regie.
- Rekening houden met kaders die gevormd worden door wetenschap, beroepsnormen,
(wettelijke)voorschriften, ethische principes en financiële kaders.
KWALITATIEF/KWANTITATIEF ONDERZOEK
Kwalitatief
• Beschrijvend van aart
• Gericht op meningen, opvattingen, ervaringen, gevoelens en gedragingen van personen
• Verkennen en begrijpen
• BV: interviewen
Kwantitatief
• Gericht op het vinden van statische bewijzen
• Feiten
• Uitkomsten die kunnen worden geordend
• BV: enquête, metingen, VAS schaal
, EVIDENCE BASED PRACTICE
Het gewetensvol, expliciet en oordeelkundig gebruik van het aanwezige beste bewijsmateriaal om
behandelingsbeslissingen te nemen in samenspraak met de cliënt.
Oordeelkundig = handelen op bepaalde kennis, interpretatie
Gewetensvol = ethisch handelen, verantwoorden waarom je iets doet
Expliciet = handelen naar buiten brengen
1. Klinische expertise
2. Externe evidentie
3. Waarden van een patiënt
• Allemaal even belangrijk
• Klinische expertise heb ik nog niet
• Handelen op de best mogelijke manier, EBP als houvast