Hoofdstuk 3, hoorcollege 1
Centrale vraag: Hoe weten we of de wereld die we in onze geest ‘zien’, overeenkomt met de
buitenwereld? Hoe weten we of we de wereld net zo zien als anderen?
Sensatie: vroeg stadium van perceptie waarin de neuronen van een receptor (oog of oor) een
stimulus omzetten in een patroon van zenuwimpulsen. Deze signalen worden vervolgens voor
verdere bewerking doorgestuurd naar de hersenen. Eerste gewaarwording van stimulus.
Sensatie wordt alleen bestudeerd vanuit het biologische perspectief. Al onze zintuigen lijken op
een bepaalde manier op elkaar. Zintuigen zetten fysieke stimulatie (licht-, geluidsgolven) om in
neurale impulsen die ons sensaties geven (licht, geluid).
Menselijke zintuigen zijn veel minder verfijnd als die van andere diersoorten. Maar onze zintuigen
hebben zich in de loop van de evolutie ontwikkeld tot een instrumentarium waarmee we een
grotere verscheidenheid aan sensorische informatie kunnen verwerken dan elke andere diersoort.
Perceptie: proces waarbij aan het patroon van sensorische zenuwimpulsen een gedetailleerde
betekenis wordt toegekend. Perceptie wordt sterk beïnvloed door herinnering, motivatie, emotie en
andere psychologische processen.
Perceptie wordt vooral vanuit het cognitieve perspectief bestudeerd, maar ook vanuit het
biologische perspectief.
De grens tussen sensatie en perceptie is geen scherpe lijn.
Kernvraag: Hoe verandert stimulatie in sensatie?
Onze zintuigen hebben functies die ons helpen overleven.
- aandacht op bepaalde sensaties te richten;
- lokaliseren mogelijke partner, vinden beschutting, herkennen vrienden;
- we kunnen door zintuigen genieten van muziek, kunst, sport, voedsel en seks.
Onze zintuiglijke indrukken van de wereld bestaan uit neurale representaties van stimuli, niet uit de
werkelijke stimuli. De hersenen nemen de wereld dus indirect waar, omdat de zintuigen alle stimuli
omzetten in de taal van het zenuwstelsel: neurale impulsen.
Hersenen ontvangen stimuli uit de buitenwereld nooit rechtstreeks. Hersenen moeten vertrouwen
op informatie die afkomstig is van het sensorische systeem, dat als tussenpersoon fungeert en een
gecodeerde neurale boodschap doorgeeft, waaruit de hersenen hun eigen ervaring moeten
afleiden. Hersenen hebben zintuigen nodig, die de stimuli van de buitenwereld omzetten in neurale
signalen die ze kunnen begrijpen.
,Transductie, sensorische adaptatie en drempels bepalen welke stimuli in sensaties worden
omgezet, wat de kwaliteit en het effect van die sensaties zal zijn en of ze tot ons bewustzijn zullen
doordringen.
Stimulatie —> Transductie —> Sensatie —> Perceptie.
Transductie: stimulatie in sensatie veranderen
Transductie (omvorming): proces waarbij de ene vorm van energie wordt omgezet in een andere
vorm. De omzetting van stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
Externe stimuli (licht, geluid, smaak) kunnen de hersenen nooit rechtstreeks bereiken. Neuronen
kunnen geen externe stimulus (licht- of geluidsgolven) doorgeven. Alle informatie die de zintuigen
opvangen, wordt door neuronen in de vorm van neurale impulsen naar de hersenen verstuurd.
Het is de taak van de sensorische receptoren om bij alle zintuigen de informatie van een stimulus
om te zetten in elektrochemische signalen. Deze neurale impulsen zijn de enige taal die hersenen
begrijpen. Sensaties (rood, zoet, koud) dringen alleen ons bewustzijn door als die neurale signalen
de cerebrale cortex (hersenschors) bereiken.
Transductie is het proces waarbij fysische energie (lichtgolven) wordt omgezet in neurale impulsen.
Transductie begint als een sensorische neuron een fysische stimulus opvangt. Als de stimulus het
bijpassende zintuig bereikt (oog) activeert het de gespecialiseerde neuronen in dat zintuig
(receptoren). Deze receptoren zetten hun prikkeling om in een zenuwimpuls. In onze zintuigen
wordt een sensatie gecodeerd tot een neurale impuls. Deze impuls kan door de hersenen verder
worden verwerkt. Dit signaal verplaatst zich vanaf de receptorcellen langs een sensorische baan
via de thalamus naar gespecialiseerde sensorische verwerkingscentra in de hersenen. Uit de
neurale impulsen die via de zenuwbanen worden aangevoerd, halen de hersenen informatie over
de elementaire kenmerken van de stimulus. Stimulus komt nooit verder dan de receptor, het enige
wat door het zenuwstelsel verplaatst wordt is informatie in de vorm van een neurale impuls.
Omdat we de wereld niet direct zien, horen of ruiken, is wat we waarnemen een elektrochemische
weergave van de wereld die door de zintuigen en hersenen is gecreëerd.
Sensorische adaptatie
Sensorische adaptatie: proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worden als de stimulus
een bepaalde tijd op hetzelfde niveau aangeboden blijft.
Onze zintuigen zijn vooral gericht op veranderingen. Hun receptoren zijn gespecialiseerd in
veranderingen in de omgeving. Door sensorische adaptatie kunnen stimuli die niet veranderen in
intensiteit de neiging hebben naar de achtergrond van ons bewustzijn te verschuiven, tenzij ze heel
intens of pijnlijk zijn. Elke veranderingen in signalen die je ontvangt zal je aandacht trekken.
Drempels: de grenzen van sensatie
, Absolute drempel: hoeveelheid stimulatie die nodig is voordat de stimulus wordt opgemerkt. In de
praktijk houdt men aan dat de stimulus de helft van het aantal pogingen moet worden opgemerkt.
De absolute drempel varieert per persoon. Als jij iets kan zien, maar een vriend niet, ligt jouw zicht
boven jouw absolute drempel en lager dan de absolute drempel van je vriend.
Een zwakke stimulus wordt niet ineens waarneembaar als de intensiteit ervan toeneemt. De
absolute drempel varieert voortdurend bij iedereen, door wisselingen in onze geestelijke alertheid
en lichamelijke conditie (is dus niet absoluut!).
Verschildrempel: kleinst mogelijke verschil waarbij de stimulus nog de helft van het aantal pogingen
wordt opgemerkt. JWV: juist waarneembare verschil.
Wet van Weber: theorie die stelt dat het JWV in proportionele verhouding staat tot de intensiteit van
de stimulus. Het JWV is groot als de intensiteit van de stimulus groot is en klein als de intensiteit
van de stimulus klein is.
Mensen zijn dus gebouwd om veranderingen in en relaties tussen stimuli op te merken.
Zintuig Waarnemingsdrempel
Zicht Kaarsvlam op 50 meter tijdens een donkere, heldere
nacht
Gehoor Getik van een horloge op 6 meter in een stille
omgeving
Smaakzin Theelepel suiker in 10 liter water
Reukvermogen Druppel parfum in een driekamerappartement
Tastzin Vleugel van een bij die op je wang valt van een
hoogte van 1 centimeter
Signaaldetectietheorie
Signaaldetectietheorie: theorie die stelt dat de beoordeling van stimuli door de hersenen tijdens het
proces van perceptie een combinatie is van de sensatie en besluitvormingsprocessen. De
signaaldetectietheorie voegt kenmerken van de waarnemer toe aan de klassieke psychofysica.
Elektronische waarnemingen van stimuli door apparaten (tv) kunnen we met behulp van dezelfde
concepten verklaren als de waarneming via de menselijke zintuigen (gezicht en gehoor). Volgens
signaaldetectietheorie is sensatie afhankelijk van de kenmerken van de stimulus, de
achtergrondstimulus en detector. M.b.v. deze theorie kunnen we begrijpen waarom
drempelwaarden verschillen wanneer je de ene keer een bepaald geluid opmerkt en de volgende
keer niet.
Centrale vraag: Hoe weten we of de wereld die we in onze geest ‘zien’, overeenkomt met de
buitenwereld? Hoe weten we of we de wereld net zo zien als anderen?
Sensatie: vroeg stadium van perceptie waarin de neuronen van een receptor (oog of oor) een
stimulus omzetten in een patroon van zenuwimpulsen. Deze signalen worden vervolgens voor
verdere bewerking doorgestuurd naar de hersenen. Eerste gewaarwording van stimulus.
Sensatie wordt alleen bestudeerd vanuit het biologische perspectief. Al onze zintuigen lijken op
een bepaalde manier op elkaar. Zintuigen zetten fysieke stimulatie (licht-, geluidsgolven) om in
neurale impulsen die ons sensaties geven (licht, geluid).
Menselijke zintuigen zijn veel minder verfijnd als die van andere diersoorten. Maar onze zintuigen
hebben zich in de loop van de evolutie ontwikkeld tot een instrumentarium waarmee we een
grotere verscheidenheid aan sensorische informatie kunnen verwerken dan elke andere diersoort.
Perceptie: proces waarbij aan het patroon van sensorische zenuwimpulsen een gedetailleerde
betekenis wordt toegekend. Perceptie wordt sterk beïnvloed door herinnering, motivatie, emotie en
andere psychologische processen.
Perceptie wordt vooral vanuit het cognitieve perspectief bestudeerd, maar ook vanuit het
biologische perspectief.
De grens tussen sensatie en perceptie is geen scherpe lijn.
Kernvraag: Hoe verandert stimulatie in sensatie?
Onze zintuigen hebben functies die ons helpen overleven.
- aandacht op bepaalde sensaties te richten;
- lokaliseren mogelijke partner, vinden beschutting, herkennen vrienden;
- we kunnen door zintuigen genieten van muziek, kunst, sport, voedsel en seks.
Onze zintuiglijke indrukken van de wereld bestaan uit neurale representaties van stimuli, niet uit de
werkelijke stimuli. De hersenen nemen de wereld dus indirect waar, omdat de zintuigen alle stimuli
omzetten in de taal van het zenuwstelsel: neurale impulsen.
Hersenen ontvangen stimuli uit de buitenwereld nooit rechtstreeks. Hersenen moeten vertrouwen
op informatie die afkomstig is van het sensorische systeem, dat als tussenpersoon fungeert en een
gecodeerde neurale boodschap doorgeeft, waaruit de hersenen hun eigen ervaring moeten
afleiden. Hersenen hebben zintuigen nodig, die de stimuli van de buitenwereld omzetten in neurale
signalen die ze kunnen begrijpen.
,Transductie, sensorische adaptatie en drempels bepalen welke stimuli in sensaties worden
omgezet, wat de kwaliteit en het effect van die sensaties zal zijn en of ze tot ons bewustzijn zullen
doordringen.
Stimulatie —> Transductie —> Sensatie —> Perceptie.
Transductie: stimulatie in sensatie veranderen
Transductie (omvorming): proces waarbij de ene vorm van energie wordt omgezet in een andere
vorm. De omzetting van stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
Externe stimuli (licht, geluid, smaak) kunnen de hersenen nooit rechtstreeks bereiken. Neuronen
kunnen geen externe stimulus (licht- of geluidsgolven) doorgeven. Alle informatie die de zintuigen
opvangen, wordt door neuronen in de vorm van neurale impulsen naar de hersenen verstuurd.
Het is de taak van de sensorische receptoren om bij alle zintuigen de informatie van een stimulus
om te zetten in elektrochemische signalen. Deze neurale impulsen zijn de enige taal die hersenen
begrijpen. Sensaties (rood, zoet, koud) dringen alleen ons bewustzijn door als die neurale signalen
de cerebrale cortex (hersenschors) bereiken.
Transductie is het proces waarbij fysische energie (lichtgolven) wordt omgezet in neurale impulsen.
Transductie begint als een sensorische neuron een fysische stimulus opvangt. Als de stimulus het
bijpassende zintuig bereikt (oog) activeert het de gespecialiseerde neuronen in dat zintuig
(receptoren). Deze receptoren zetten hun prikkeling om in een zenuwimpuls. In onze zintuigen
wordt een sensatie gecodeerd tot een neurale impuls. Deze impuls kan door de hersenen verder
worden verwerkt. Dit signaal verplaatst zich vanaf de receptorcellen langs een sensorische baan
via de thalamus naar gespecialiseerde sensorische verwerkingscentra in de hersenen. Uit de
neurale impulsen die via de zenuwbanen worden aangevoerd, halen de hersenen informatie over
de elementaire kenmerken van de stimulus. Stimulus komt nooit verder dan de receptor, het enige
wat door het zenuwstelsel verplaatst wordt is informatie in de vorm van een neurale impuls.
Omdat we de wereld niet direct zien, horen of ruiken, is wat we waarnemen een elektrochemische
weergave van de wereld die door de zintuigen en hersenen is gecreëerd.
Sensorische adaptatie
Sensorische adaptatie: proces waardoor receptorcellen minder gevoelig worden als de stimulus
een bepaalde tijd op hetzelfde niveau aangeboden blijft.
Onze zintuigen zijn vooral gericht op veranderingen. Hun receptoren zijn gespecialiseerd in
veranderingen in de omgeving. Door sensorische adaptatie kunnen stimuli die niet veranderen in
intensiteit de neiging hebben naar de achtergrond van ons bewustzijn te verschuiven, tenzij ze heel
intens of pijnlijk zijn. Elke veranderingen in signalen die je ontvangt zal je aandacht trekken.
Drempels: de grenzen van sensatie
, Absolute drempel: hoeveelheid stimulatie die nodig is voordat de stimulus wordt opgemerkt. In de
praktijk houdt men aan dat de stimulus de helft van het aantal pogingen moet worden opgemerkt.
De absolute drempel varieert per persoon. Als jij iets kan zien, maar een vriend niet, ligt jouw zicht
boven jouw absolute drempel en lager dan de absolute drempel van je vriend.
Een zwakke stimulus wordt niet ineens waarneembaar als de intensiteit ervan toeneemt. De
absolute drempel varieert voortdurend bij iedereen, door wisselingen in onze geestelijke alertheid
en lichamelijke conditie (is dus niet absoluut!).
Verschildrempel: kleinst mogelijke verschil waarbij de stimulus nog de helft van het aantal pogingen
wordt opgemerkt. JWV: juist waarneembare verschil.
Wet van Weber: theorie die stelt dat het JWV in proportionele verhouding staat tot de intensiteit van
de stimulus. Het JWV is groot als de intensiteit van de stimulus groot is en klein als de intensiteit
van de stimulus klein is.
Mensen zijn dus gebouwd om veranderingen in en relaties tussen stimuli op te merken.
Zintuig Waarnemingsdrempel
Zicht Kaarsvlam op 50 meter tijdens een donkere, heldere
nacht
Gehoor Getik van een horloge op 6 meter in een stille
omgeving
Smaakzin Theelepel suiker in 10 liter water
Reukvermogen Druppel parfum in een driekamerappartement
Tastzin Vleugel van een bij die op je wang valt van een
hoogte van 1 centimeter
Signaaldetectietheorie
Signaaldetectietheorie: theorie die stelt dat de beoordeling van stimuli door de hersenen tijdens het
proces van perceptie een combinatie is van de sensatie en besluitvormingsprocessen. De
signaaldetectietheorie voegt kenmerken van de waarnemer toe aan de klassieke psychofysica.
Elektronische waarnemingen van stimuli door apparaten (tv) kunnen we met behulp van dezelfde
concepten verklaren als de waarneming via de menselijke zintuigen (gezicht en gehoor). Volgens
signaaldetectietheorie is sensatie afhankelijk van de kenmerken van de stimulus, de
achtergrondstimulus en detector. M.b.v. deze theorie kunnen we begrijpen waarom
drempelwaarden verschillen wanneer je de ene keer een bepaald geluid opmerkt en de volgende
keer niet.