Onderstaande informatie is van:
Gregoire, L., Van Straaten-Huygen, A., & Trompert, R. (2020). Anatomie en fysiologie - 5e druk
inclusief Online (5de ed.). ThiemeMeulenhoff bv.
H1 Terreinverkenning
De anatomie (ontleedkunde) houdt zich bezig met de bouw van het menselijk lichaam. De
wetenschap van het functioneren van een levend organisme wordt aangeduide met de term
fysiologie. De combinatie van deze twee begrippen wordt aangeduid met het begrip: functionele
anatomie. Functionele anatomie behandelt de bouw van het menselijk lichaam in directe relatie met
de lichaamsfuncties.
Inspectie = observeren van de buitenkant van het lichaam.
Palpatie = voelen op het huidoppervlak om meer te weten te komen over diepere structuren.
Percussie = kloppen aan de buitenkant van het lichaam. (Hoogte van de toon)
Auscultatie = luisteren met een stethoscoop naar geluiden die het lichaam produceert.
Bij laboratoriumonderzoek worden weefsels en vloeistoffen onderzocht.
Bij een röntgenapparaat wordt röntgenstraling wordt gebruikt om opnamen te maken de botten van
het lichaam.
Computertomografie (CT): Hierbij wordt ook röntgenstraling toegepast maar hierbij kunnen ook
zachtere weefsel zichtbaar worden gemaakt. Een CT-scan maakt een doorsnede van het hele lichaam
zichtbaar.
Met angiografie kan met afwijkingen in de hartholten en in de bloedvaten opsporen. Nadat een
contrastvloeistof in de bloedbaan is gespoten kunnen ze door röntgenstraling zichtbaar worden
gemaakt.
Bij MRI (magnetic resonance imaging) wordt de te onderzoeken persoon in een tunnel geschoven
die een zeer sterke magneet bevat. Hierdoor worden de waterstofkernen in het lichaam
gemagnetiseerd. Lucht en weefsel die geen/weinig water bevatten geven dan geen signaal af en
worden op de MRI-scan zwart.
Bij Echografie of echoscopie wordt gebruik gemaakt van ultrageluidstrillingen. De golven
weerkaatsen terug naar de computer en zo kan er een beeld gevormd worden. ‘
Bij doppleronderzoek wordt ook gebruik gemaakt van hoogfrequente geluidsgolven. Hiermee
woorden de stroomrichting en stroomsnelheid van het bloed geregistreerd.
Endoscopie is de verzamelnaam voor alle onderzoeken waarbij gebruik wordt gemaakt met een
optische zonde (hiermee kunnen holle organen van binnen worden bekeken).
,Elektrische signalen van het lichaam kunnen worden opgevangen en weergegeven op een
beeldscherm. Voorbeelden zijn: ECG (elektrocardiogram) (hart), het EGG (elektro-encefalogram)
(hersenen) en het EMG (elektromyogram) (spieren).
Veel voorkomende afkortingen:
a. = arteria (slagader)
v. = vena (ader)
n. = nervus (zenuw)
m. = musculus (spier)
H2.1 Metabolisme
De cel ins de kleinste stofwisselingseenheid van het lichaam. Met stofwisseling ofwel metabolisme
worden alle biochemische reacties bedoeld die in de cellen kunnen plaatsvinden.
Anabole reacties (assimilatiereacties) zijn nodig voor de bouw van lichaamseigen stoffen. Deze
stoffen worden gebruikt voor opslag, groei, herstel en onderhoud van de weefsels.
Bij katabole reacties (dissimilatiereacties) vindt afbraak van stoffen plaats. Hierbij komt chemische
energie vrij. Aerobe dissimilatie (verbranding met zuurstof) in de cel heet celademhaling.
De energie die bij dissimilatie reacties vrijkomen wordt in ATP vastgelegd. Als er energie nodig is
wordt ATP omgezet in ADP en komt er energie vrij.
ATP ADP + P + energie
Alle stofwisselingsreacties vinden plaats door middel van enzymen. Dit zijn de belangrijkste
kenmerken van enzymen:
altijd eiwitten;
worden door het lichaam zelf gemaakt;
kunnen reacties sneller laten verlopen;
zijn reactie specifiek;
zijn temperatuur specifiek (enzymen werken het beste bij hun optimumtemperatuur);
zijn zuurgraad specifiek (werken het beste bij een bepaalde pH);
worden wel gebruikt maar niet verbruikt;
Hebben een andere stof nodig om de reactie te laten verlopen (co-enzym);
Worden meestal genoemd naar de stof die ze splitsen.
H4 Topografie
In de anatomische houding:
Staat de persoon rechtop;
Houdt de persoon het hoofd rechtop;
Houdt de persoon de armen gestrekt naast het lichaam;
Zijn de handpalmen naar voren gekeerd;
Zijn de voeten iets gespreid.
Er worden drie typen lichaamsvlakken onderscheiden: (Coachmefit, z.d.)
, Frontaal vlak: loopt evenwijdig aan de lichaamsas.
Transversaal vlak: loopt evenwijdig aan het vloeroppervlak.
Sagittaal vlak: staat loodrecht op een frontaalvlak. (mediaanvlak)
Tabel 4.1 is richtingsaanduidingen statica, tabel 4.2 is
richtingsaanduidingen dynamica.
De wervels uit de
wervelkolom worden als
volgt aangeduid:
C1 t/m C7 = halswervels (cervicale wervels)