Paragraaf 1.1
Onderzoeksvragen kunnen van kwalitatieve en van kwantitatieve
aard zijn
Kwantitatief = Als je gegevens wil krijgen over percentages en
verhoudingen van een doelgroep Zaken vast stellen
Kwalitatief = Het verkennen of inzichtelijk maken van een thema of
vraagstuk Dingen ontdekken
Voordat je met een opdrachtgever in zee gaat, is het goed om het
volgende vast te stellen:
1) Wat is precies het probleem?
2) Hoe groot is het probleem?
3) Wat is de aanleiding om het onderzoek te doen?
4) Voor wie is het een probleem?
5) Wat zijn de gevolgen?
Normatieve vragen = Vragen die met een onderzoek niet te
beantwoorden zijn, bijvoorbeeld Wat is de beste...? of is... goed voor?
Voor je een onderzoek start moet je je afvragen of:
- De informatie niet al voorhanden is
- Het de moeite en kosten waard is om een nieuw onderzoek te starten
Je kan eerst literatuuronderzoek doen, om na te gaan of er al
voldoende informatie voor handen is.
Doorlezen blz. 17 t/m 19 boek Gaat over de 5 vragen hierboven,
even doornemen.
Doelstelling = Het doel van het onderzoek formuleer je in de doelstelling
- Bijvoorbeeld: Voor een tandheelkundig onderzoek luidt die: Het
verkrijgen van inzicht in het effect van een tandheelkundige ingreep op
de aantrekkelijkheid van Amerikaanse volwassenen om indien er sprake
is van een positief effect de cosmetische tandheelkundige ingrepen te
promoten
Formulering doelstelling: ‘Het onderzoek heeft tot doel het verkrijgen
van kennis en inzicht in ... bij .... om ...
Instrumenteel onderzoek = Als het onderzoek gaat om het ontwerpen
en testen van instrumenten, zoals het maken van een instrument om
betrokkenheid van werknemers te meten
Paragraaf 1.2
Oriëntatie Je gaat overleggen met collega’s en opdrachtgever om te
kijken of de literatuur al bekend is van het onderwerp.
Proefschriften zijn ideale bronnen om je te oriënteren als je aan een
studie begint
Literatuuronderzoek (bronnenonderzoek):
1) Waar baseren onderzoekers hun theorie op?
2) Wat voor opzet gebruiken andere onderzoekers voor vergelijkbaar
onderzoek?
3) Hoe definiëren en meten onderzoekers vergelijkbare kenmerken?
Theorie = Het geheel van ideeën over mogelijke verbanden tussen
kenmerken
, Hoe ga je op zoek naar informatie? Het zoekproces kent een
aantal onderdelen:
1) Begin met het vertalen en definiëren van je onderzoek begrippen
2) Beslis waar je gaat zoeken.
3) Kies een goede zoekstrategie
4) Controleer op volledigheid
Niet zomaar zoeken, zoek naar wetenschappelijke
onderzoekstermen!
Thesaurus = Hierin staat aangeduid of iets een officiële zoekterm is,
maar ook of er bredere of smallere zoektermen en verwante zoektermen
zijn
Descriptors = Zijn de officiële vaktermen die als labels aan publicaties
worden gehangen waar je naar zoekt
Cited by = Hier krijg je artikelen waarin naar dit artikel verwezen wordt en
die dus min of meer vergelijkbaar zijn
Pubmed = Zoekmachine die zich voor een belangrijk deel richt op de
publicaties die in de medische database Medline staan
Google books = Is handig wanneer het om boeken gaat
Picarta = De gezamenlijke onlinecatalogus van vrijwel alle Nederlandse
bibliotheken en bevat dus vooral veel verwijzingen naar Nederlandse
publicaties
Zie tabel 1.1 blz. 26 boek Het zoekproces!!!!
Paragraaf 1.3
Hoe maak je een onderzoeksvraag?:
1) Formuleer je voorlopige onderzoeksvraag
2) Is er sprake van sub – of deelvragen?
3) Is het een vraag?
4) Is het een gesloten vraag?
5) Alternatieve formuleringen
6) Formuleren van de definitieve onderzoeksvraag
Mixed method = Combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek
Doorlezen blz. 28 t/m 30 boek Gaat over hoe je een
onderzoeksvraag formuleert, even doorlezen.
Paragraaf 1.4
Eenheden = Mensen, groepen, bedrijven, organisaties of situaties
Populatie = Verzameling van al die eenheden waar het onderzoek zich op
richt
Externe validiteit = In welke mate kun je de onderzoeksresultaten
genereren naar de beoogde populatie? Resultaten gelden dan voor een
grotere groep dan alleen de testgroep
- Generaliseren De geldigheid van een conclusie uitbreiden van
specifiek naar algemeen en is dus geldig voor een grotere groep
Subpopulaties = Verschillende deelpopulaties binnen een bepaalde
populatie
Splitsingstechniek Voorbeeld zie blz. 32 boek, figuur 1.6!!!
, Paragraaf 1.5
Kenmerken = Als het om een abstracte eigenschap gaat, Bijvoorbeeld
het geslacht van een persoon
Variabele = Als het kenmerk in meetbare termen is geformuleerd, je moet
het dus wel kunnen meten.
Construct = Aantrekkelijkheid
Concept = Geslacht
Zie figuur 1.7 blz. 33 boek!!!
Directe onafhankelijke kenmerken hebben meestal gevolgen en
zijn niet het gevolg van andere kenmerken
Causaliteit = Oorzakelijk verband
Validiteit = De geldigheid van een test
Interne validiteit = De mate waarin het redeneren binnen het onderzoek
correct is uitgevoerd
Voorwaarde causale relatie = er moet sprake zijn van een relatie
tussen het onafhankelijke en het afhankelijke kenmerk
Afhankelijke variabele = De variabele waarover men een voorspelling
doet
Onafhankelijke variabele = Variabele die men gebruikt om
voorspellingen op te baseren
Voorbeeld:
Als men bijvoorbeeld de invloed van alcohol op het leervermogen bij
muizen wil onderzoeken, kan men deze een bepaalde hoeveelheid alcohol
toedienen om vervolgens na een bepaalde tijd te meten hoe snel de
muizen nieuwe zaken leren. De hoeveelheid alcohol die men in dit geval
toedient, is de onafhankelijke variabele. De snelheid van het leren is dan
de afhankelijke variabele.
Wedekerig = Hier is geen sprake van 1 rechtstreekse causale relatie.
Voorbeeld: Relatie tussen vriendelijkheid van een verkoper en de
vriendelijkheid van een klant Als de verkoper vriendelijk is, zal de klant
dit ook zijn en visa versa.
Sprake van een niet causale relatie tussen 2 of meer kenmerken?
Ga dan nadenken over welke kenmerken mogelijk van invloed zijn op die
relatie (Voorbeeld doorlezen stukje bovenaan blz. 35 boek!!!)
Moderator kenmerk = Analyses afzonderlijk uit te voeren. Bijvoorbeeld:
Geslacht, een analyse voor mannen en een voor vrouwen
Controle kenmerken = Bijvoorbeeld leeftijd, zelfvertrouwen en geslacht
Zie figuur 1.7 blz. 33 boek!!!
Paragraaf 1.6
Als je hebt bepaald wat je wilt gaan onderzoeken, moet je bekijken
of het ethisch verantwoord is
Voorbeeld onethisch onderzoek Zie tekst bovenaan blz. 36
paragraaf 1.6.1
Doorlezen blz. 36 boek!!!
Er zijn meestal 3 partijen die belang hebben bij het onderzoek:
Onderzoeksvragen kunnen van kwalitatieve en van kwantitatieve
aard zijn
Kwantitatief = Als je gegevens wil krijgen over percentages en
verhoudingen van een doelgroep Zaken vast stellen
Kwalitatief = Het verkennen of inzichtelijk maken van een thema of
vraagstuk Dingen ontdekken
Voordat je met een opdrachtgever in zee gaat, is het goed om het
volgende vast te stellen:
1) Wat is precies het probleem?
2) Hoe groot is het probleem?
3) Wat is de aanleiding om het onderzoek te doen?
4) Voor wie is het een probleem?
5) Wat zijn de gevolgen?
Normatieve vragen = Vragen die met een onderzoek niet te
beantwoorden zijn, bijvoorbeeld Wat is de beste...? of is... goed voor?
Voor je een onderzoek start moet je je afvragen of:
- De informatie niet al voorhanden is
- Het de moeite en kosten waard is om een nieuw onderzoek te starten
Je kan eerst literatuuronderzoek doen, om na te gaan of er al
voldoende informatie voor handen is.
Doorlezen blz. 17 t/m 19 boek Gaat over de 5 vragen hierboven,
even doornemen.
Doelstelling = Het doel van het onderzoek formuleer je in de doelstelling
- Bijvoorbeeld: Voor een tandheelkundig onderzoek luidt die: Het
verkrijgen van inzicht in het effect van een tandheelkundige ingreep op
de aantrekkelijkheid van Amerikaanse volwassenen om indien er sprake
is van een positief effect de cosmetische tandheelkundige ingrepen te
promoten
Formulering doelstelling: ‘Het onderzoek heeft tot doel het verkrijgen
van kennis en inzicht in ... bij .... om ...
Instrumenteel onderzoek = Als het onderzoek gaat om het ontwerpen
en testen van instrumenten, zoals het maken van een instrument om
betrokkenheid van werknemers te meten
Paragraaf 1.2
Oriëntatie Je gaat overleggen met collega’s en opdrachtgever om te
kijken of de literatuur al bekend is van het onderwerp.
Proefschriften zijn ideale bronnen om je te oriënteren als je aan een
studie begint
Literatuuronderzoek (bronnenonderzoek):
1) Waar baseren onderzoekers hun theorie op?
2) Wat voor opzet gebruiken andere onderzoekers voor vergelijkbaar
onderzoek?
3) Hoe definiëren en meten onderzoekers vergelijkbare kenmerken?
Theorie = Het geheel van ideeën over mogelijke verbanden tussen
kenmerken
, Hoe ga je op zoek naar informatie? Het zoekproces kent een
aantal onderdelen:
1) Begin met het vertalen en definiëren van je onderzoek begrippen
2) Beslis waar je gaat zoeken.
3) Kies een goede zoekstrategie
4) Controleer op volledigheid
Niet zomaar zoeken, zoek naar wetenschappelijke
onderzoekstermen!
Thesaurus = Hierin staat aangeduid of iets een officiële zoekterm is,
maar ook of er bredere of smallere zoektermen en verwante zoektermen
zijn
Descriptors = Zijn de officiële vaktermen die als labels aan publicaties
worden gehangen waar je naar zoekt
Cited by = Hier krijg je artikelen waarin naar dit artikel verwezen wordt en
die dus min of meer vergelijkbaar zijn
Pubmed = Zoekmachine die zich voor een belangrijk deel richt op de
publicaties die in de medische database Medline staan
Google books = Is handig wanneer het om boeken gaat
Picarta = De gezamenlijke onlinecatalogus van vrijwel alle Nederlandse
bibliotheken en bevat dus vooral veel verwijzingen naar Nederlandse
publicaties
Zie tabel 1.1 blz. 26 boek Het zoekproces!!!!
Paragraaf 1.3
Hoe maak je een onderzoeksvraag?:
1) Formuleer je voorlopige onderzoeksvraag
2) Is er sprake van sub – of deelvragen?
3) Is het een vraag?
4) Is het een gesloten vraag?
5) Alternatieve formuleringen
6) Formuleren van de definitieve onderzoeksvraag
Mixed method = Combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek
Doorlezen blz. 28 t/m 30 boek Gaat over hoe je een
onderzoeksvraag formuleert, even doorlezen.
Paragraaf 1.4
Eenheden = Mensen, groepen, bedrijven, organisaties of situaties
Populatie = Verzameling van al die eenheden waar het onderzoek zich op
richt
Externe validiteit = In welke mate kun je de onderzoeksresultaten
genereren naar de beoogde populatie? Resultaten gelden dan voor een
grotere groep dan alleen de testgroep
- Generaliseren De geldigheid van een conclusie uitbreiden van
specifiek naar algemeen en is dus geldig voor een grotere groep
Subpopulaties = Verschillende deelpopulaties binnen een bepaalde
populatie
Splitsingstechniek Voorbeeld zie blz. 32 boek, figuur 1.6!!!
, Paragraaf 1.5
Kenmerken = Als het om een abstracte eigenschap gaat, Bijvoorbeeld
het geslacht van een persoon
Variabele = Als het kenmerk in meetbare termen is geformuleerd, je moet
het dus wel kunnen meten.
Construct = Aantrekkelijkheid
Concept = Geslacht
Zie figuur 1.7 blz. 33 boek!!!
Directe onafhankelijke kenmerken hebben meestal gevolgen en
zijn niet het gevolg van andere kenmerken
Causaliteit = Oorzakelijk verband
Validiteit = De geldigheid van een test
Interne validiteit = De mate waarin het redeneren binnen het onderzoek
correct is uitgevoerd
Voorwaarde causale relatie = er moet sprake zijn van een relatie
tussen het onafhankelijke en het afhankelijke kenmerk
Afhankelijke variabele = De variabele waarover men een voorspelling
doet
Onafhankelijke variabele = Variabele die men gebruikt om
voorspellingen op te baseren
Voorbeeld:
Als men bijvoorbeeld de invloed van alcohol op het leervermogen bij
muizen wil onderzoeken, kan men deze een bepaalde hoeveelheid alcohol
toedienen om vervolgens na een bepaalde tijd te meten hoe snel de
muizen nieuwe zaken leren. De hoeveelheid alcohol die men in dit geval
toedient, is de onafhankelijke variabele. De snelheid van het leren is dan
de afhankelijke variabele.
Wedekerig = Hier is geen sprake van 1 rechtstreekse causale relatie.
Voorbeeld: Relatie tussen vriendelijkheid van een verkoper en de
vriendelijkheid van een klant Als de verkoper vriendelijk is, zal de klant
dit ook zijn en visa versa.
Sprake van een niet causale relatie tussen 2 of meer kenmerken?
Ga dan nadenken over welke kenmerken mogelijk van invloed zijn op die
relatie (Voorbeeld doorlezen stukje bovenaan blz. 35 boek!!!)
Moderator kenmerk = Analyses afzonderlijk uit te voeren. Bijvoorbeeld:
Geslacht, een analyse voor mannen en een voor vrouwen
Controle kenmerken = Bijvoorbeeld leeftijd, zelfvertrouwen en geslacht
Zie figuur 1.7 blz. 33 boek!!!
Paragraaf 1.6
Als je hebt bepaald wat je wilt gaan onderzoeken, moet je bekijken
of het ethisch verantwoord is
Voorbeeld onethisch onderzoek Zie tekst bovenaan blz. 36
paragraaf 1.6.1
Doorlezen blz. 36 boek!!!
Er zijn meestal 3 partijen die belang hebben bij het onderzoek: