Hoofdstuk 10: niet-perfect werkende
markten
10.1 Het monopolie
Bij een monopolie is er 1 aanbieder. Er zijn geen substituties te vinden. Maar er zijn ook bijna-
monopolisten. Waarom bestaan monopolies? Omdat andere aanbieders dan de monopolist de
betreffende markt niet kunnen betreden. Verschillende soorten monopolies:
- Wettelijk monopolie; overheid weert andere aanbieders van de markt. Dit kan bijvoorbeeld
door een octrooi (patent)
- Natuurlijk monopolie: bedrijf kan zijn producten aanbieden tegen aanzienlijk lagere kosten
dan concurrenten dat zouden kunnen doen.
- Collectief monopolie: gezamenlijke aanbieders doen alsof ze één zijn: kartel.
10.2 Opbrengsten en kosten van een monopolist
Volledige mededinging: marktprijs veranderd niet. Monopolie: afzetcurve valt samen met de
vraagcurve. 1 aanbieder, dus geplaatst tegenover de gehele marktvraag. Afzettoename is gunstig
voor omzet. Maar prijsdaling is ongunstig voor de omzet.
¿
Gemiddelde opbrengsten: GO= ¿
q
Twee opvallende zaken in verloop GO, TO, MO voor een monopolist.
1. TO neemt toe bij prijsdaling, maar neemt later af -> MO=0 is namelijk maximale omzet.
2. MO daalt, en wordt zelfs negatief. Want prijsdaling geldt niet voor 1 .. maar dan daalt het
tarief voor alles.
Hoeveel eenheden gaat monopolist aanbieden? MO=MK is maximale winst. (voorbeeld met grafiek)
Maatschappelijk optimaal hoeveelheid: hoeveelheid waar MK=q. Zolang de consumenten bereid zijn
meer te betalen dan MK, is het maatschappelijk gezien gunstig meer te produceren. (Consumenten,
producentensurplus en welvaartverlies: zie grafiek voorbeeld)
Prijsdiscriminatie: doet zich voor als een aanbieder hetzelfde product tegen verschillende prijzen aan
verschillende groepen vragers verkoopt. Voorwaarde: deelmarkten moeten gescheiden zijn. Door
prijsdiscriminatie wordt het consumentensurplus nog verder afgeroomd. (grafiek)
10.3 andere niet-perfect werkende markten:
Oligopolie:
- Aantal ‘spelers’ is klein
- Vaak is er een marktleider (grootste aanbieder) die de toon zet.
- Kartelvorming is verboden, maar wel erg verleidelijk.
Homogeen product: verschilt niet in de ogen v/d consument
Heterogeen product: onderscheid tussen producten.
Ze streven naar klantbinding, door onderscheid in product: streven productdifferentie na.
- Prijsstarheid-> geknikte afzetcurve. Prijsverhoging kost marktaandeel (?)
Monopolistische concurrentie
Veel aanbieders t.o.v. oligopolie. Productdifferentiatie is van belang, aanbieders willen zich van
andere aanbieders onderscheiden. Verkoopprijs=GTK -> geen winst, toch winst: nieuwe aanbieders-
> vraagcurve naar links. (nog meer tekst in tb.)
10.4 niet-perfect werkende markten en de overheid
Hier kunnen aanbieders zelf de prijs vaststellen -> welvaartsverlies -> overheid: mededingingsbeleid
om concurrentie te bevorderen. Uitvoering hiervan is in handen van ACM; toezicht op naleving
Mededingingswet(alleen bij bedrijven met meer dan 5% v/d EU markt), ook kans op Europese
Commissie.
markten
10.1 Het monopolie
Bij een monopolie is er 1 aanbieder. Er zijn geen substituties te vinden. Maar er zijn ook bijna-
monopolisten. Waarom bestaan monopolies? Omdat andere aanbieders dan de monopolist de
betreffende markt niet kunnen betreden. Verschillende soorten monopolies:
- Wettelijk monopolie; overheid weert andere aanbieders van de markt. Dit kan bijvoorbeeld
door een octrooi (patent)
- Natuurlijk monopolie: bedrijf kan zijn producten aanbieden tegen aanzienlijk lagere kosten
dan concurrenten dat zouden kunnen doen.
- Collectief monopolie: gezamenlijke aanbieders doen alsof ze één zijn: kartel.
10.2 Opbrengsten en kosten van een monopolist
Volledige mededinging: marktprijs veranderd niet. Monopolie: afzetcurve valt samen met de
vraagcurve. 1 aanbieder, dus geplaatst tegenover de gehele marktvraag. Afzettoename is gunstig
voor omzet. Maar prijsdaling is ongunstig voor de omzet.
¿
Gemiddelde opbrengsten: GO= ¿
q
Twee opvallende zaken in verloop GO, TO, MO voor een monopolist.
1. TO neemt toe bij prijsdaling, maar neemt later af -> MO=0 is namelijk maximale omzet.
2. MO daalt, en wordt zelfs negatief. Want prijsdaling geldt niet voor 1 .. maar dan daalt het
tarief voor alles.
Hoeveel eenheden gaat monopolist aanbieden? MO=MK is maximale winst. (voorbeeld met grafiek)
Maatschappelijk optimaal hoeveelheid: hoeveelheid waar MK=q. Zolang de consumenten bereid zijn
meer te betalen dan MK, is het maatschappelijk gezien gunstig meer te produceren. (Consumenten,
producentensurplus en welvaartverlies: zie grafiek voorbeeld)
Prijsdiscriminatie: doet zich voor als een aanbieder hetzelfde product tegen verschillende prijzen aan
verschillende groepen vragers verkoopt. Voorwaarde: deelmarkten moeten gescheiden zijn. Door
prijsdiscriminatie wordt het consumentensurplus nog verder afgeroomd. (grafiek)
10.3 andere niet-perfect werkende markten:
Oligopolie:
- Aantal ‘spelers’ is klein
- Vaak is er een marktleider (grootste aanbieder) die de toon zet.
- Kartelvorming is verboden, maar wel erg verleidelijk.
Homogeen product: verschilt niet in de ogen v/d consument
Heterogeen product: onderscheid tussen producten.
Ze streven naar klantbinding, door onderscheid in product: streven productdifferentie na.
- Prijsstarheid-> geknikte afzetcurve. Prijsverhoging kost marktaandeel (?)
Monopolistische concurrentie
Veel aanbieders t.o.v. oligopolie. Productdifferentiatie is van belang, aanbieders willen zich van
andere aanbieders onderscheiden. Verkoopprijs=GTK -> geen winst, toch winst: nieuwe aanbieders-
> vraagcurve naar links. (nog meer tekst in tb.)
10.4 niet-perfect werkende markten en de overheid
Hier kunnen aanbieders zelf de prijs vaststellen -> welvaartsverlies -> overheid: mededingingsbeleid
om concurrentie te bevorderen. Uitvoering hiervan is in handen van ACM; toezicht op naleving
Mededingingswet(alleen bij bedrijven met meer dan 5% v/d EU markt), ook kans op Europese
Commissie.