Psychologie
Werkcollege 1
Stressor: datgenen waar je stress van krijgt, bv tentamen, ongeluk, ergenis, kou,
ramp (oorlog, brand), verhuizing, etc
Fight, flight of freeze, zijn reacties op een stressor.
Stress: reactie op de stressor, lichamelijk en/of psychisch, bv hartkloppingen,
gejaagd voelen, onzeker, boos
Stressor -> stress -> ziekte
Tussen stress en ziekte zit een copingstijl, dit is de manier hoe je met stress
omgaat.
Moderatoren: persoonlijkheidseigenschappen die invloed hebben op de
individuele stress van een stressor.
1. Persoonlijkheid type A/B: type A mensen hebben veel stress gerelateerde
responsen en daardoor twee keer zoveel kans op hartkwalen dan type B
mensen. Type B mensen leven veel ontspannener.
2. Locus of control: mate waarin mensen verwachten dat ze invloed kunnen
uitoefenen op de uitkomsten in zijn leven. Mensen die internaliseren
denken dat als ze een bepaalde handeling verrichten het gewenste
resultaat behalen. Mensen die externaliseren denken dat de relatie tussen
inspanning en het resultaat onvoorspelbaar is. Bij stressvolle situaties
beschouwen mensen die internaliseren de situatie als beheersbaar en
mensen die externaliseren minder.
3. Optimisme: ervaren meer positieve emoties, kunnen stress beter aan door
strategieën voor coping te gebruiken.
4. Weerbaarheid: een persoonlijkheidspatroon waardoor een gezonde manier
van coping wordt bevorderd. Bestaat uit drie factoren; challenge
(uitdaging), commitment (betrokkenheid), control.
5. Veerkracht: capaciteit om je aan te passen en welzijn te bereiken ondanks
ernstige bedreigingen van de ontwikkeling. Mensen die extravert,
consciëntieus en optimistisch zijn hebben meer veerkracht. Veerkracht
heeft enige overlap met weerbaarheid.
Strategieën voor coping; door deze aangeleerde vaardigheden wordt de invloed
van de beleefde stress op de lichamelijke en geestelijke gezondheid verminderd.
1. Probleemgerichte en emotiegerichte coping: stressor geïdentificeerd en
wordt actie ondernomen om hiervoor een oplossing te vinden.
Emotiegericht bestaat uit inspanningen om je emotionele reactie op de
stressor te reguleren. Dit gebeurt door je gevoelens te identificeren, je
erop te concentreren en ze te verwerken, bijv. erover te praten.
2. Cognitieve herstructurering: het cognitief herbeoordelen van stressoren
met het doel deze vanuit een minder stressvol perspectief te bekijken. De
gedachten over de stressor die voor nervositeit zorgen wat positiever
bekijken.
3. Sociale vergelijkingen: een type cognitieve herstructurering, je eigen
situatie vergelijken met anderen in soortgelijke situaties. Neerwaartse
sociale vergelijking, vergelijken met mensen die een ergere situatie
hebben, zelf positiever worden. Opwaartse sociale vergelijking, vergelijken
met mensen met een betere situatie, als inspiratie en voorbeeld.
4. Positieve emoties: effecten van stress kunnen worden opgevangen door
humor, de stemming wordt beter, maar ook de fysiologische invloed neemt
af.
, 5. Betekenis vinden: bedenken hoe iets kan gebeuren, twee specifieke typen,
zingeving en het zoeken naar een positieve betekenis. Mensen proberen zit
te geven aan de gebeurtenis. Een tweede fase is als blijkt dat het een
voordeel heeft meegebracht.
Keuzes ten aanzien van levenswijze: werken als moderator en als strategie voor
coping
1. Sociale steun: psychologische en fysieke middelen die van anderen worden
verkregen.
2. Lichaamsbeweging: verminderen van stress en geestelijke gezondheid.
3. Voeding en dieet: hersenen hebben bepaalde stoffen nodig om optimaal te
functioneren
4. Slaap en meditatie
Self-serving bias: vertekening uit eigenbelang. Het ligt aan de situatie en niet aan
de persoonlijkheid, om jezelf beter te voelen.
Fundamentele attributiefout: wat er gebeurt ligt aan de persoonlijkheid van de
persoon en niet aan de sitautie, bijv. iemand remt voor een stoplicht en jij vindt
dat stom, maar misschien rende er een hond over. Om situaties voorspelbaar te
maken.
Reward theory of attraction: mensen aardig vinden die zoveel mogelijk voordelen
opleveren tegen weinig kosten.
Expectancy-value theory: de beslissing om energie in een vriendschap te steken
wordt bepaald door de waarde die we een ander toekennen tegen de
verwachting of er inderdaad een vriendschap ontstaat af te zetten.
Cognitieve dissonantietheorie: als mensen zich vrijwillig overgeven aan gedrag
dat botst met hun opvattingen en normen, dan belanden ze in een gemotiveerde
psychische toestand. Je attitude heeft ruzie met je gedrag. Mensen zijn
gemotiveerd om deze situatie te veranderen, ofwel je gedrag veranderen of je
gedachten.
Vooroordelen: negatieve houding, overtuiging en gevoelens tegen over een
individu dat lid is van een bepaalde groep of categorie. Slaat op een attitude,
iemands opvattingen.
Discriminatie: negatieve actie ten opzichte van een individu, omdat hij lid is van
een bepaalde groep. Is een gedragspatroon.
Werkcollege 2
Met behulp van emoties kunnen we opmerkzaam zijn, op belangrijke situaties
reageren en onze bedoelingen aan andere overbrengen.
Negatieve werking emoties => bij presentaties of gesprek
Positieve werking emoties => emoties laten zien voor extra boost
Worden emoties te erg dan gaan ze tegen werken.
Zeven elementaire emoties: afschuw/walging, angst, boosheid/woede, verdriet,
verrassing/verbazing, vreugde/geluk, minachting. Deze emoties worden in alle
culturen herkend.
Impliciete emoties (onbewust): binnenkomende stimuli wordt gecontroleerd en je
reageert snel op potentieel belangrijke gebeurtenissen, zelfs voordat het
bewustzijn is bereikt. Het is verbonden met het impliciete geheugen en fungeert
als een snel waarschuwingssysteem. Er is een korte route in de hersenen via de
visuele thalamus direct naar de amygdala, zonder bewust nadenken hierover.
Expliciete emoties (bewust): maakt gebruik van bewuste verwerking en is
verbonden met het expliciete geheugen. De verwerking van emoties gaat
langzamer en is grondiger en doelbewuster. Lange routen via visuele thalamus
naar de visuele cortex en amygdala, de resultaten kunnen heel anders zijn.
, James-lange theorie: emoties worden voorafgegaan door lichamelijke responsen,
we voelen ons verdrietig omdat we huilen.
Cannon Bard theorie: emotionele gevoelens en interne lichamelijke responsen
ontstaan gelijktijdig.
Twee-factortheorie: emoties zijn afhankelijk van onze inschatting van de interne
lichamelijke toestand en de externe situatie waar we ons in bevinden. Als de
twee factoren tegenstrijdig zijn gebeuren er vreemde dingen.
Emotionele intelligentie: het begrijpen, beheersen, gebruiken en waarnemen van
emoties. Emotionele responsen worden niet altijd bewust gereguleerd, maar we
kunnen leren om ze te beheersen.
Signalen van misleiding:
Als dat wat wordt gezegd een leugen is, kost het cognitieve inspanning om
de waarheid te verbergen. Dit leidt tot toegeknepen pupillen, lagere
pauzes tijdens het spreken en verkramptere bewegingen en gebaren.
Als de leugen te maken heeft met verbergen van iemands gevoelens, dan
kan de leugenaar lichamelijk en gedragsmatig meer activiteit (arousal)
vertonen. Blijkt uit verandering van houding, toonhoogte, tempo,
versprekingen enzovoorts.
Gezicht kan je gemakkelijker in een plooi houden dan je lichaam. Richt je
op de lichaamsbewegingen van de spreker.
De ogen verraden soms de bedrieger, vooral als ze een glimlach proberen
te laten zien. Een glimlach kan gemakkelijker worden gemanipuleerd dan
de spieren rond de ogen. Bij een echte grijns rimpelen de oogspieren de
huid bij de ogen.
Het vermogen iemand in de ogen te kijken is een goede indicator, maar
alleen bij mensen die normaal eerlijk zijn. Het liegen zie je aan een
afgewende blik, minder knipperen en minder glimlachen.
Cultuur is van invloed op de wijze waarop de waarheid wordt
onderscheiden. Daardoor kunnen mensen beter mensen van hun eigen
cultuur observeren.
Motivatietheorieën:
1. Instincttheorie: elk organisme wordt geboren met een aantal biologische
gedragspatronen, die essentieel zijn voor de overleving. Instinct is een
redelijk goede verklaring voor regelmatige cycli in diergedrag.
2. Drijfveertheorie: een biologische behoeft produceert een drijfveer die het
gedrag aanstuurt zodanig dat de behoeft wordt voorzien.
3. Cognitieve theorie en locus of control: groot deel van het menselijk gedrag
wordt gemotiveerd door perceptie en leren, verwachtingen ten opzichte
van het gedrag is het belangrijkst. Locus of control, mate waarin we de
gebeurtenissen in ons leven in de hand denken te hebben. Interne locus of
control, invloed op je gedrag zit binnenin. Externe locus of control, lot
wordt bepaald door een toevallige bevlieging of geluk.
4. Freuds psychodynamische theorie: motivatie komt voort uit onbewuste
behoeften; de motieven ondergaan veranderingen tijdens de ontwikkeling
van kind naar volwassene.
5. Theorie van Maslow: motieven komen voort uit behoeften die geordend zijn
volgens een bepaalde prioriteit. Zolang de basale behoeften niet zijn
vervuld, hebben de hogere behoeften weinig invloed op ons gedrag.
Werkcollege 1
Stressor: datgenen waar je stress van krijgt, bv tentamen, ongeluk, ergenis, kou,
ramp (oorlog, brand), verhuizing, etc
Fight, flight of freeze, zijn reacties op een stressor.
Stress: reactie op de stressor, lichamelijk en/of psychisch, bv hartkloppingen,
gejaagd voelen, onzeker, boos
Stressor -> stress -> ziekte
Tussen stress en ziekte zit een copingstijl, dit is de manier hoe je met stress
omgaat.
Moderatoren: persoonlijkheidseigenschappen die invloed hebben op de
individuele stress van een stressor.
1. Persoonlijkheid type A/B: type A mensen hebben veel stress gerelateerde
responsen en daardoor twee keer zoveel kans op hartkwalen dan type B
mensen. Type B mensen leven veel ontspannener.
2. Locus of control: mate waarin mensen verwachten dat ze invloed kunnen
uitoefenen op de uitkomsten in zijn leven. Mensen die internaliseren
denken dat als ze een bepaalde handeling verrichten het gewenste
resultaat behalen. Mensen die externaliseren denken dat de relatie tussen
inspanning en het resultaat onvoorspelbaar is. Bij stressvolle situaties
beschouwen mensen die internaliseren de situatie als beheersbaar en
mensen die externaliseren minder.
3. Optimisme: ervaren meer positieve emoties, kunnen stress beter aan door
strategieën voor coping te gebruiken.
4. Weerbaarheid: een persoonlijkheidspatroon waardoor een gezonde manier
van coping wordt bevorderd. Bestaat uit drie factoren; challenge
(uitdaging), commitment (betrokkenheid), control.
5. Veerkracht: capaciteit om je aan te passen en welzijn te bereiken ondanks
ernstige bedreigingen van de ontwikkeling. Mensen die extravert,
consciëntieus en optimistisch zijn hebben meer veerkracht. Veerkracht
heeft enige overlap met weerbaarheid.
Strategieën voor coping; door deze aangeleerde vaardigheden wordt de invloed
van de beleefde stress op de lichamelijke en geestelijke gezondheid verminderd.
1. Probleemgerichte en emotiegerichte coping: stressor geïdentificeerd en
wordt actie ondernomen om hiervoor een oplossing te vinden.
Emotiegericht bestaat uit inspanningen om je emotionele reactie op de
stressor te reguleren. Dit gebeurt door je gevoelens te identificeren, je
erop te concentreren en ze te verwerken, bijv. erover te praten.
2. Cognitieve herstructurering: het cognitief herbeoordelen van stressoren
met het doel deze vanuit een minder stressvol perspectief te bekijken. De
gedachten over de stressor die voor nervositeit zorgen wat positiever
bekijken.
3. Sociale vergelijkingen: een type cognitieve herstructurering, je eigen
situatie vergelijken met anderen in soortgelijke situaties. Neerwaartse
sociale vergelijking, vergelijken met mensen die een ergere situatie
hebben, zelf positiever worden. Opwaartse sociale vergelijking, vergelijken
met mensen met een betere situatie, als inspiratie en voorbeeld.
4. Positieve emoties: effecten van stress kunnen worden opgevangen door
humor, de stemming wordt beter, maar ook de fysiologische invloed neemt
af.
, 5. Betekenis vinden: bedenken hoe iets kan gebeuren, twee specifieke typen,
zingeving en het zoeken naar een positieve betekenis. Mensen proberen zit
te geven aan de gebeurtenis. Een tweede fase is als blijkt dat het een
voordeel heeft meegebracht.
Keuzes ten aanzien van levenswijze: werken als moderator en als strategie voor
coping
1. Sociale steun: psychologische en fysieke middelen die van anderen worden
verkregen.
2. Lichaamsbeweging: verminderen van stress en geestelijke gezondheid.
3. Voeding en dieet: hersenen hebben bepaalde stoffen nodig om optimaal te
functioneren
4. Slaap en meditatie
Self-serving bias: vertekening uit eigenbelang. Het ligt aan de situatie en niet aan
de persoonlijkheid, om jezelf beter te voelen.
Fundamentele attributiefout: wat er gebeurt ligt aan de persoonlijkheid van de
persoon en niet aan de sitautie, bijv. iemand remt voor een stoplicht en jij vindt
dat stom, maar misschien rende er een hond over. Om situaties voorspelbaar te
maken.
Reward theory of attraction: mensen aardig vinden die zoveel mogelijk voordelen
opleveren tegen weinig kosten.
Expectancy-value theory: de beslissing om energie in een vriendschap te steken
wordt bepaald door de waarde die we een ander toekennen tegen de
verwachting of er inderdaad een vriendschap ontstaat af te zetten.
Cognitieve dissonantietheorie: als mensen zich vrijwillig overgeven aan gedrag
dat botst met hun opvattingen en normen, dan belanden ze in een gemotiveerde
psychische toestand. Je attitude heeft ruzie met je gedrag. Mensen zijn
gemotiveerd om deze situatie te veranderen, ofwel je gedrag veranderen of je
gedachten.
Vooroordelen: negatieve houding, overtuiging en gevoelens tegen over een
individu dat lid is van een bepaalde groep of categorie. Slaat op een attitude,
iemands opvattingen.
Discriminatie: negatieve actie ten opzichte van een individu, omdat hij lid is van
een bepaalde groep. Is een gedragspatroon.
Werkcollege 2
Met behulp van emoties kunnen we opmerkzaam zijn, op belangrijke situaties
reageren en onze bedoelingen aan andere overbrengen.
Negatieve werking emoties => bij presentaties of gesprek
Positieve werking emoties => emoties laten zien voor extra boost
Worden emoties te erg dan gaan ze tegen werken.
Zeven elementaire emoties: afschuw/walging, angst, boosheid/woede, verdriet,
verrassing/verbazing, vreugde/geluk, minachting. Deze emoties worden in alle
culturen herkend.
Impliciete emoties (onbewust): binnenkomende stimuli wordt gecontroleerd en je
reageert snel op potentieel belangrijke gebeurtenissen, zelfs voordat het
bewustzijn is bereikt. Het is verbonden met het impliciete geheugen en fungeert
als een snel waarschuwingssysteem. Er is een korte route in de hersenen via de
visuele thalamus direct naar de amygdala, zonder bewust nadenken hierover.
Expliciete emoties (bewust): maakt gebruik van bewuste verwerking en is
verbonden met het expliciete geheugen. De verwerking van emoties gaat
langzamer en is grondiger en doelbewuster. Lange routen via visuele thalamus
naar de visuele cortex en amygdala, de resultaten kunnen heel anders zijn.
, James-lange theorie: emoties worden voorafgegaan door lichamelijke responsen,
we voelen ons verdrietig omdat we huilen.
Cannon Bard theorie: emotionele gevoelens en interne lichamelijke responsen
ontstaan gelijktijdig.
Twee-factortheorie: emoties zijn afhankelijk van onze inschatting van de interne
lichamelijke toestand en de externe situatie waar we ons in bevinden. Als de
twee factoren tegenstrijdig zijn gebeuren er vreemde dingen.
Emotionele intelligentie: het begrijpen, beheersen, gebruiken en waarnemen van
emoties. Emotionele responsen worden niet altijd bewust gereguleerd, maar we
kunnen leren om ze te beheersen.
Signalen van misleiding:
Als dat wat wordt gezegd een leugen is, kost het cognitieve inspanning om
de waarheid te verbergen. Dit leidt tot toegeknepen pupillen, lagere
pauzes tijdens het spreken en verkramptere bewegingen en gebaren.
Als de leugen te maken heeft met verbergen van iemands gevoelens, dan
kan de leugenaar lichamelijk en gedragsmatig meer activiteit (arousal)
vertonen. Blijkt uit verandering van houding, toonhoogte, tempo,
versprekingen enzovoorts.
Gezicht kan je gemakkelijker in een plooi houden dan je lichaam. Richt je
op de lichaamsbewegingen van de spreker.
De ogen verraden soms de bedrieger, vooral als ze een glimlach proberen
te laten zien. Een glimlach kan gemakkelijker worden gemanipuleerd dan
de spieren rond de ogen. Bij een echte grijns rimpelen de oogspieren de
huid bij de ogen.
Het vermogen iemand in de ogen te kijken is een goede indicator, maar
alleen bij mensen die normaal eerlijk zijn. Het liegen zie je aan een
afgewende blik, minder knipperen en minder glimlachen.
Cultuur is van invloed op de wijze waarop de waarheid wordt
onderscheiden. Daardoor kunnen mensen beter mensen van hun eigen
cultuur observeren.
Motivatietheorieën:
1. Instincttheorie: elk organisme wordt geboren met een aantal biologische
gedragspatronen, die essentieel zijn voor de overleving. Instinct is een
redelijk goede verklaring voor regelmatige cycli in diergedrag.
2. Drijfveertheorie: een biologische behoeft produceert een drijfveer die het
gedrag aanstuurt zodanig dat de behoeft wordt voorzien.
3. Cognitieve theorie en locus of control: groot deel van het menselijk gedrag
wordt gemotiveerd door perceptie en leren, verwachtingen ten opzichte
van het gedrag is het belangrijkst. Locus of control, mate waarin we de
gebeurtenissen in ons leven in de hand denken te hebben. Interne locus of
control, invloed op je gedrag zit binnenin. Externe locus of control, lot
wordt bepaald door een toevallige bevlieging of geluk.
4. Freuds psychodynamische theorie: motivatie komt voort uit onbewuste
behoeften; de motieven ondergaan veranderingen tijdens de ontwikkeling
van kind naar volwassene.
5. Theorie van Maslow: motieven komen voort uit behoeften die geordend zijn
volgens een bepaalde prioriteit. Zolang de basale behoeften niet zijn
vervuld, hebben de hogere behoeften weinig invloed op ons gedrag.