1.1
Inleidingsparagraaf
1.2
Het meten van welvaart kun je doen door te kijken naar:
1. Het bnp/hoofd
2. VN-welzijnsindex (dit zegt iets over welvaart van een land. Hierbij
kijken we naar levensverwachting, koopkracht en alfabetiseringsgraad.)
3. Beroepsbevolking (primair, secundair en tertiair)
Je kunt de wereld indelen in drie groepen landen:
1. Centrumlanden – meest ontwikkelde landen
2. Semiperiferie – de landen die een eind op weg zijn in hun ontwikkeling
3. Periferie – grote groep arme landen. Binnen de periferie vormen de minst
ontwikkelde landen (MOL) de armste groep.
Vaak wordt het woord ontwikkelingsland gebruikt voor arme landen en de rijke
landen worden ontwikkelde landen genoemd.
1.3
Grote verschillen in welvaart tussen groepen mensen noem je sociale
ongelijkheid.
kun je uitdrukken in gini-coëfficiënt.
Wanneer er tussen gebieden grote verschillen zijn in de welvaart, noem je dat
regionale ongelijkheid.
In Nederland wordt bijna alles wat verdiend wordt opgegeven aan de
belastingdienst. Dit is de formele sector.
In arme landen produceren veel boeren voor eigen gebruik.
niet opgegeven bij belastingdienst: informele sector.
Hierdoor komen opbrengsten niet in officiële statistieken terecht bnp/hoofd
valt lager uit dan dat het eigenlijk is
1.4
Gebieden op aarde raken steeds meer met elkaar verbonden: globalisering
Hiervoor zijn drie belangrijke ontwikkelingen verantwoordelijk:
- Multinationale ondernemingen (grote bedrijven die in meerdere landen
fabrieken en kantoren hebben staan)
- Handelsbelemmeringen verdwijnen
- Afstanden tussen gebieden “krimpen” door moderne
communicatiemiddelen en vervoer wordt goedkoper