Lieve Kuijpers GHU 1A
Samenvatting de cel en weefsels
De cel
De mens heeft 46 chromosomen in een cel, waarbij er verschil is tussen mannen (XY) en vrouwen
(XX). Geslachtscellen hebben afwijkende aantal chromosomen, namelijk de helft (23).
De cel is de kleinste eenheid waaruit ons lichaam is opgebouwd en die zelfstandig kan leven.
Celbiologie
Anatomie van de Fysiologie van de Replicatie van de
cel cel cel
Structuur van de cel Functie van de cel
Theorie over cellen
Alle levende dingen zijn opgebouwd uit cellen. Cellen zijn bouwstenen voor de structuur en de
functie van levende wezens. Alle cellen zijn het product van andere cellen.
Elke cel in het menselijk lichaam ontplooit de activiteiten die noodzakelijk zijn om in leven te blijven.
Weefsel
= een groep gelijksoortige cellen die morfologisch (= de bouw en samenstelling van het lichaam en
organen) en functioneel een eenheid in het menselijk lichaam vormen. Een orgaan bestaat uit
verschillende weefsel soorten.
Orgaanstelsel
= organen en structuren die gezamenlijk een bepaalde taak uitvoeren. Alle orgaansystemen samen
vormen het organisme.
Cel differentiatie
= een proces waarbij specifieke cellen zich dusdanig ontwikkelen, waardoor zij een specifieke functie
kunnen uitvoeren. Dit is nodig om voor een organisme te kunnen functioneren.
Gevaar differentiatie
Differentiatie bij zenuwweefsel kan voor gevaar zorgen. Als zenuwweefsel eenmaal ontwikkeld zijn
en beschadigd raken, kunnen ze niet opnieuw ontwikkeld worden.
1
, Lieve Kuijpers GHU 1A
Opbouw cellen
Onderdelen:
Celmembraan = plasmamembraan
Bestaat uit een dubbele laag van fosfolipiden (= bouwsteen van het celmembraan, bevat een
hydrofobe dbb staart en hydrofiele kop) waarin eiwit moleculen drijven.
Het vormt een scheiding tussen het cytoplasma (= intracellulaire ruimte) en de extracellulaire
ruimte en is selectie in het doorlaten van stoffen.
Ook eiwitten kunnen verschillende soorten stoffen doorlaten. Afhankelijk van het soort stof
(glucose, water of aminozuren), vormt er een soort kanaaltje of werkt het als een pompje.
- Kanaaltje:
= passief membraantransport = kost GEEN
energie (diffusie, osmose en filtratie)
- Pompje:
= actief membraantransport = kost WEL
energie. Ten koste van energie stoffen
tegen de concentratie in voeren (= van een
lage naar een hoge concentratie van de
stof gaan).
Diffusie
= gassen, veel (mengbare) vloeistoffen en oplossingen spontaan vermengen. De stof
beweegt dus van plaatsen met een hoge concentratie naar plaatsen met een lage
concentratie, tot dat de concentraties overal gelijk zijn.
Osmose
= de diffusie van water door een semipermeabel membraand. Dit is een membraan
waarbij het oplosmiddel (water) wel kan passeren en de opgeloste stof niet/slecht.
Filtratie
= water met opgeloste stoffen verplaatsen zich over een wand.
Celkern
= Het centrum van de cel waaruit alle processen worden gestuurd. Elke cel heeft een kern,
behalve de hoornlaag bij de epidermis.
Nucleus (= kern) bevat:
- Kernmembraan met poriën
= doorlaatbaar voor mRNA.
- Nucleulus = kernorganel
Zorgt voor productie van ribosomen.
2
Samenvatting de cel en weefsels
De cel
De mens heeft 46 chromosomen in een cel, waarbij er verschil is tussen mannen (XY) en vrouwen
(XX). Geslachtscellen hebben afwijkende aantal chromosomen, namelijk de helft (23).
De cel is de kleinste eenheid waaruit ons lichaam is opgebouwd en die zelfstandig kan leven.
Celbiologie
Anatomie van de Fysiologie van de Replicatie van de
cel cel cel
Structuur van de cel Functie van de cel
Theorie over cellen
Alle levende dingen zijn opgebouwd uit cellen. Cellen zijn bouwstenen voor de structuur en de
functie van levende wezens. Alle cellen zijn het product van andere cellen.
Elke cel in het menselijk lichaam ontplooit de activiteiten die noodzakelijk zijn om in leven te blijven.
Weefsel
= een groep gelijksoortige cellen die morfologisch (= de bouw en samenstelling van het lichaam en
organen) en functioneel een eenheid in het menselijk lichaam vormen. Een orgaan bestaat uit
verschillende weefsel soorten.
Orgaanstelsel
= organen en structuren die gezamenlijk een bepaalde taak uitvoeren. Alle orgaansystemen samen
vormen het organisme.
Cel differentiatie
= een proces waarbij specifieke cellen zich dusdanig ontwikkelen, waardoor zij een specifieke functie
kunnen uitvoeren. Dit is nodig om voor een organisme te kunnen functioneren.
Gevaar differentiatie
Differentiatie bij zenuwweefsel kan voor gevaar zorgen. Als zenuwweefsel eenmaal ontwikkeld zijn
en beschadigd raken, kunnen ze niet opnieuw ontwikkeld worden.
1
, Lieve Kuijpers GHU 1A
Opbouw cellen
Onderdelen:
Celmembraan = plasmamembraan
Bestaat uit een dubbele laag van fosfolipiden (= bouwsteen van het celmembraan, bevat een
hydrofobe dbb staart en hydrofiele kop) waarin eiwit moleculen drijven.
Het vormt een scheiding tussen het cytoplasma (= intracellulaire ruimte) en de extracellulaire
ruimte en is selectie in het doorlaten van stoffen.
Ook eiwitten kunnen verschillende soorten stoffen doorlaten. Afhankelijk van het soort stof
(glucose, water of aminozuren), vormt er een soort kanaaltje of werkt het als een pompje.
- Kanaaltje:
= passief membraantransport = kost GEEN
energie (diffusie, osmose en filtratie)
- Pompje:
= actief membraantransport = kost WEL
energie. Ten koste van energie stoffen
tegen de concentratie in voeren (= van een
lage naar een hoge concentratie van de
stof gaan).
Diffusie
= gassen, veel (mengbare) vloeistoffen en oplossingen spontaan vermengen. De stof
beweegt dus van plaatsen met een hoge concentratie naar plaatsen met een lage
concentratie, tot dat de concentraties overal gelijk zijn.
Osmose
= de diffusie van water door een semipermeabel membraand. Dit is een membraan
waarbij het oplosmiddel (water) wel kan passeren en de opgeloste stof niet/slecht.
Filtratie
= water met opgeloste stoffen verplaatsen zich over een wand.
Celkern
= Het centrum van de cel waaruit alle processen worden gestuurd. Elke cel heeft een kern,
behalve de hoornlaag bij de epidermis.
Nucleus (= kern) bevat:
- Kernmembraan met poriën
= doorlaatbaar voor mRNA.
- Nucleulus = kernorganel
Zorgt voor productie van ribosomen.
2