stroomsterkte = Hoeveelheid elektriciteit die per tijdseenheid door een leiding gaat.
Spanning = Kracht' of 'druk' waarmee elektronen een bepaalde kant opgeduwd worden
Het vermogen van een apparaat hangt af van twee factoren: de spanning (over het apparaat)
en de stroomsterkte (door het apparaat).
P=UxI
E = P x t (tijd in
sec)
Fasedraad (bruin) = Wisselspanning van 230 V
Nuldraad (blauw) = Staat geen spanning op, maakt de stroomkring af die terugloopt naar de
elektriciteitscentrale.
Schakeldraad (zwart) = loopt van een schakelaar naar een lamp, er staat alleen spanning op
als de schakelaar op de AAN stand staat.
Stroomsterkte in één groep mag niet groter worden dan 16A, anders dan er brandgevaar
ontstaan doordat het koperdraad heet wordt.
Stroomsterkte kan te groot worden door bv, overbelasting, om te bepalen of er kans bestaat
op overbelasting kijk je naar het totale vermogen van de aangesloten apparaten.