Kennismaking met Onderzoeksmethoden en Statistiek
Kwalitatief
Empirisch = Op grond van wetenschappelijk onderzoek dat is gebaseerd op systematische
observaties
Kenmerken goede wetenschappelijke theorie:
- Falsifieerbaar = Een theorie moet weerlegd kunnen worden met systematische
waarnemingen
- Probabilistisch = Uitspraken binnen een theorie gelden niet voor alle gevallen/ elk
moment
- Spaarzaam (parsimonious) = Als eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om
deze complexer te maken
Typen onderzoeksvragen:
Fundamenteel (basic)
Toegepast (applied)
Translationeel (translational)
Kwalitatief onderzoek
Doel: Sociale fenomeen begrijpen vanuit natuurlijke context + ontwikkelen van nieuwe
theorie + uitbreiden bestaande theorie
Holisme = Elk geheel is meer dan de som van de delen, alles is aan elkaar verbonden
Kenmerken:
Onderzoeker geïnteresseerd in natuurlijke omgeving van respondent
Onderzoeker heeft een contextuele benadering
Perspectief respondenten staat centraal
Specifieke observaties (sociale werkelijkheid beschrijven en nieuwe theorieën
vormen = inductie)
Iteratief = herhalend, terugkeren naar eerder fasen van onderzoek
SPICE - Kwalitatieve onderzoeksvraag
Setting: waar, in welke context? Land, locatie
Perspective: voor wie? Wie zijn mening wil je weten?
Interest: wat? Welk onderwerp?
Comparison: vergeleken met wie?
Evaluation: met welk resultaat? Ervaring, redenering, beschrijving
“Hoe ervaren (E) kinderen met ADHD (P) in Nederland (S) hun ouder-kindrelaties (I) voor en
na de diagnose (C)?”
Soorten interviews
1. Ongestructureerd
2. Semigestructureerd - topiclijst
3. Gestructureerd - Survey
Doelgerichte steekproef (purposive sample)
, Case study logic = Elk specifiek individu is waardevol en draagt bij aan een beter begrip
Sample for range = zo breed mogelijk scala aan ervaringen
Transcriptie = uitgetypte interview
Field notes = Informele waardevolle aantekeningen tijdens het interview voor de analyse
later (ideeën, locatie, voortgang, indrukken)
Betrouwbaarheid (bij herhaling hetzelfde resultaat) bereiken doordat moderator invloed
heeft en zich hier bewust van is.
Validiteit (heb je gemeten wat je wilde meten) bereiken door door te vragen, inspelen om
non-verbale signalen respondent en belang van verstandhouding.
Andere variant is een redelijk homogene focusgroep met verschillende ervaringen.
Gegevens verzamelen door te observeren = waarnemen en registratie van gedragingen,
gebeurtenissen en interacties.
Typen observatieonderzoek:
1. Participerend (= etnografisch onderzoek) vs. niet-participerend (neemt onderzoeker
deel of niet?)
2. Verhuld vs. Onverhuld (weten de mensen dat ze geobserveerd worden?)
3. Systematisch vs. Niet-systematisch (zijn de fenomenen vastgelegd?)
Site is plek waar geobserveerd wordt (bijv basisschool), daarna toegang verkrijgen via
gatekeeper (bijv de directeur)
Key informant participant die vriend is van onderzoeker (bijv leraar)
Reactiviteit = aanwezigheid van onderzoeker verandert het gedrag van participanten
Complete participant/participant observers staan heel dicht bij mensen die bestudeerd
worden.
+ heel goed observeren betere kwaliteit
-Te nauw betrokken, going native
Covert observers hebben meer afstand tot deze mensen
-mogelijkheid tot misinterpretaties
Triangulatie = combineren van verschillende manieren van onderzoek (bijv: bestaande
gegevens + interviews). Geeft meer inzicht in validiteit + meer zekerheid.
4 soorten:
- Methodologische triangulatie (kwalitatief en kwantitatief)
- Data triangulatie (2 verschillende kwalitatieve dataverzamelingsmethoden)
- Onderzoeker triangulatie (2 verschillende onderzoekers analyseren data)
- Theoretische triangulatie (gegevens worden vanuit verschillende theoretische
invalshoeken bekeken)
Kwalitatief
Empirisch = Op grond van wetenschappelijk onderzoek dat is gebaseerd op systematische
observaties
Kenmerken goede wetenschappelijke theorie:
- Falsifieerbaar = Een theorie moet weerlegd kunnen worden met systematische
waarnemingen
- Probabilistisch = Uitspraken binnen een theorie gelden niet voor alle gevallen/ elk
moment
- Spaarzaam (parsimonious) = Als eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om
deze complexer te maken
Typen onderzoeksvragen:
Fundamenteel (basic)
Toegepast (applied)
Translationeel (translational)
Kwalitatief onderzoek
Doel: Sociale fenomeen begrijpen vanuit natuurlijke context + ontwikkelen van nieuwe
theorie + uitbreiden bestaande theorie
Holisme = Elk geheel is meer dan de som van de delen, alles is aan elkaar verbonden
Kenmerken:
Onderzoeker geïnteresseerd in natuurlijke omgeving van respondent
Onderzoeker heeft een contextuele benadering
Perspectief respondenten staat centraal
Specifieke observaties (sociale werkelijkheid beschrijven en nieuwe theorieën
vormen = inductie)
Iteratief = herhalend, terugkeren naar eerder fasen van onderzoek
SPICE - Kwalitatieve onderzoeksvraag
Setting: waar, in welke context? Land, locatie
Perspective: voor wie? Wie zijn mening wil je weten?
Interest: wat? Welk onderwerp?
Comparison: vergeleken met wie?
Evaluation: met welk resultaat? Ervaring, redenering, beschrijving
“Hoe ervaren (E) kinderen met ADHD (P) in Nederland (S) hun ouder-kindrelaties (I) voor en
na de diagnose (C)?”
Soorten interviews
1. Ongestructureerd
2. Semigestructureerd - topiclijst
3. Gestructureerd - Survey
Doelgerichte steekproef (purposive sample)
, Case study logic = Elk specifiek individu is waardevol en draagt bij aan een beter begrip
Sample for range = zo breed mogelijk scala aan ervaringen
Transcriptie = uitgetypte interview
Field notes = Informele waardevolle aantekeningen tijdens het interview voor de analyse
later (ideeën, locatie, voortgang, indrukken)
Betrouwbaarheid (bij herhaling hetzelfde resultaat) bereiken doordat moderator invloed
heeft en zich hier bewust van is.
Validiteit (heb je gemeten wat je wilde meten) bereiken door door te vragen, inspelen om
non-verbale signalen respondent en belang van verstandhouding.
Andere variant is een redelijk homogene focusgroep met verschillende ervaringen.
Gegevens verzamelen door te observeren = waarnemen en registratie van gedragingen,
gebeurtenissen en interacties.
Typen observatieonderzoek:
1. Participerend (= etnografisch onderzoek) vs. niet-participerend (neemt onderzoeker
deel of niet?)
2. Verhuld vs. Onverhuld (weten de mensen dat ze geobserveerd worden?)
3. Systematisch vs. Niet-systematisch (zijn de fenomenen vastgelegd?)
Site is plek waar geobserveerd wordt (bijv basisschool), daarna toegang verkrijgen via
gatekeeper (bijv de directeur)
Key informant participant die vriend is van onderzoeker (bijv leraar)
Reactiviteit = aanwezigheid van onderzoeker verandert het gedrag van participanten
Complete participant/participant observers staan heel dicht bij mensen die bestudeerd
worden.
+ heel goed observeren betere kwaliteit
-Te nauw betrokken, going native
Covert observers hebben meer afstand tot deze mensen
-mogelijkheid tot misinterpretaties
Triangulatie = combineren van verschillende manieren van onderzoek (bijv: bestaande
gegevens + interviews). Geeft meer inzicht in validiteit + meer zekerheid.
4 soorten:
- Methodologische triangulatie (kwalitatief en kwantitatief)
- Data triangulatie (2 verschillende kwalitatieve dataverzamelingsmethoden)
- Onderzoeker triangulatie (2 verschillende onderzoekers analyseren data)
- Theoretische triangulatie (gegevens worden vanuit verschillende theoretische
invalshoeken bekeken)