Samenvatting biologie 4VWO H1 Gedrag
Gedragsonderzoek:
1. Ethogram. Lijst van gedragseenheden / gedragshandelingen.
- Naam van de gedragseenheid
- Beschrijving van de gedragseenheid
- Afkorting van de gedragseenheid
2. Protocol .
0-10 11-20 21-30 31-40
e
1 minuut
2e minuut
3e minuut
3. Analyse.
- Sequentie. Volgorde van de gedragseenheden. Bijv. eerst lopen daarna zitten.
- Frequentie van de gedragseenheden. Hoe vaak komt de gedragseenheid voor in
een protocol / tijdseenheid.
Inwendige prikkels=bijv. hormonen. Ook honger- en dorstgevoel. (van binnnenuit)
Uitwendige prikkels=bijv. ziet vrouwtje met eitjes. (van buitenaf)
Samen vormen de in- en uitwendige prikkels de motiverende factoren.
Drempelwaarde= de hoogte van de motivatie die nodig is om tot bepaald gedrag over te
gaan.
Bij varkens bijv. vast paringsgedrag. Vrouwtje in voorjaar hormoonspiegels veranderen,
bereid te paren. Mannetje knort op bepaalde manier en produceert sterk ruikend speeksel
en urine om het vrouwtje in de stemming voor paren te brengen. En hij duwt met neus
tegen zijkant vrouwtje.
Gedrag=alles wat dieren of mensen doen of laten.
Mensen denken dat dieren menselijke eigenschappen hebben, maar bij gedragsonderzoek
gaat het niet om karaktertrekken of gevoelens van dieren. Gedragsonderzoekers kijken naar
reacties van dieren in verschillende situaties.
Gedrag is een aanpassing aan de leefomstandigheden, waterdieren vertonen ander gedrag
dan dieren op het land.
Gedragseenheden= de verschillende aparte handelingen.
Vaak komen ze in vaste volgorde voor, effect van ene leidt tot andere.
Gedragsketen=vaste volgorde van gedragseenheden.
Gedragssysteem= een groep samenhangende handelingen van een diersoort. Bijv.
voorplantingsgedrag of voedselzoekgedrag.
Gedragsonderzoekers onderzoeken ook de functies van gedrag. Een functie is het overleven
van het individu (voedsel zoeken, drinken). Een andere functie is het overleven van de soort
(voorplanten).
Het welzijn van dieren in gevangenschap is groter als ze hun natuurlijke gedrag kunnen
vertonen. Daarom bijv. bij varkens comfort-class stallen ontwikkeld.
, Samenvatting biologie 4VWO H1 Gedrag
In Nederland ook wetgeving dat ze eigen natuurlijk gedrag moeten kunnen vertonen, dus
ook sociaal gedrag. Er wordt ook gecontroleerd. Gedrag zoals staartbijten bij varkens of
paarden op stal die heen en weer wiegen is niet goed.
- Aangeboren gedrag
- Aangeleerd gedrag
- ‘nieuw’ gedrag
Prikkels uit lichaam
(intern milieu) en motivatie handelingen gedrag effect
Omgeving (extern
Milieu)
Anatomie en fysieke
toestand.
Na effect weer naar begin!!!!
Gedrag wordt dus bepaald door:
- Erfelijke factoren
- Ervaringen (leerprocessen)
- Anatomie
- Fysiologie
- Prikkels
Intern milieu bijv. zoutgehalte in bloed, CO2 of honger.
Niet alle prikkels/waarnemingen neem je op, je hersenen selecteren ze.
Anatomie=bouw lichaam/organen.
Fysiologie=werking lichaam/organen.
Onderzoekers onderzoeken objectief, dus zonder oordeel vooraf. Ze bekijken welke prikkels
een dier ontvangt (input) en welk gedrag vervolgens optreedt (output).
Antropomorf= subjectieve, menselijke benadering van diergedrag, zoals fabels en sprookjes.
Je herkent het aan emotionele termen en menselijke interpretaties van gedrag.
Ethologie= de tak van wetenschap die onderzoek doet naar diergedrag.
Veel gedragsonderzoek is beschrijvend. (bijv. maken van een ethogram en protocol).
Gedragsonderzoek:
1. Ethogram. Lijst van gedragseenheden / gedragshandelingen.
- Naam van de gedragseenheid
- Beschrijving van de gedragseenheid
- Afkorting van de gedragseenheid
2. Protocol .
0-10 11-20 21-30 31-40
e
1 minuut
2e minuut
3e minuut
3. Analyse.
- Sequentie. Volgorde van de gedragseenheden. Bijv. eerst lopen daarna zitten.
- Frequentie van de gedragseenheden. Hoe vaak komt de gedragseenheid voor in
een protocol / tijdseenheid.
Inwendige prikkels=bijv. hormonen. Ook honger- en dorstgevoel. (van binnnenuit)
Uitwendige prikkels=bijv. ziet vrouwtje met eitjes. (van buitenaf)
Samen vormen de in- en uitwendige prikkels de motiverende factoren.
Drempelwaarde= de hoogte van de motivatie die nodig is om tot bepaald gedrag over te
gaan.
Bij varkens bijv. vast paringsgedrag. Vrouwtje in voorjaar hormoonspiegels veranderen,
bereid te paren. Mannetje knort op bepaalde manier en produceert sterk ruikend speeksel
en urine om het vrouwtje in de stemming voor paren te brengen. En hij duwt met neus
tegen zijkant vrouwtje.
Gedrag=alles wat dieren of mensen doen of laten.
Mensen denken dat dieren menselijke eigenschappen hebben, maar bij gedragsonderzoek
gaat het niet om karaktertrekken of gevoelens van dieren. Gedragsonderzoekers kijken naar
reacties van dieren in verschillende situaties.
Gedrag is een aanpassing aan de leefomstandigheden, waterdieren vertonen ander gedrag
dan dieren op het land.
Gedragseenheden= de verschillende aparte handelingen.
Vaak komen ze in vaste volgorde voor, effect van ene leidt tot andere.
Gedragsketen=vaste volgorde van gedragseenheden.
Gedragssysteem= een groep samenhangende handelingen van een diersoort. Bijv.
voorplantingsgedrag of voedselzoekgedrag.
Gedragsonderzoekers onderzoeken ook de functies van gedrag. Een functie is het overleven
van het individu (voedsel zoeken, drinken). Een andere functie is het overleven van de soort
(voorplanten).
Het welzijn van dieren in gevangenschap is groter als ze hun natuurlijke gedrag kunnen
vertonen. Daarom bijv. bij varkens comfort-class stallen ontwikkeld.
, Samenvatting biologie 4VWO H1 Gedrag
In Nederland ook wetgeving dat ze eigen natuurlijk gedrag moeten kunnen vertonen, dus
ook sociaal gedrag. Er wordt ook gecontroleerd. Gedrag zoals staartbijten bij varkens of
paarden op stal die heen en weer wiegen is niet goed.
- Aangeboren gedrag
- Aangeleerd gedrag
- ‘nieuw’ gedrag
Prikkels uit lichaam
(intern milieu) en motivatie handelingen gedrag effect
Omgeving (extern
Milieu)
Anatomie en fysieke
toestand.
Na effect weer naar begin!!!!
Gedrag wordt dus bepaald door:
- Erfelijke factoren
- Ervaringen (leerprocessen)
- Anatomie
- Fysiologie
- Prikkels
Intern milieu bijv. zoutgehalte in bloed, CO2 of honger.
Niet alle prikkels/waarnemingen neem je op, je hersenen selecteren ze.
Anatomie=bouw lichaam/organen.
Fysiologie=werking lichaam/organen.
Onderzoekers onderzoeken objectief, dus zonder oordeel vooraf. Ze bekijken welke prikkels
een dier ontvangt (input) en welk gedrag vervolgens optreedt (output).
Antropomorf= subjectieve, menselijke benadering van diergedrag, zoals fabels en sprookjes.
Je herkent het aan emotionele termen en menselijke interpretaties van gedrag.
Ethologie= de tak van wetenschap die onderzoek doet naar diergedrag.
Veel gedragsonderzoek is beschrijvend. (bijv. maken van een ethogram en protocol).