SBR II W1 2015
Gelede normstelling: het fenomeen dat de normstelling plaatsvindt via een getrapt
opgebouwde keten van overheidsbesluiten. De gelede normstelling vormt de rode draad in
het bestuursrecht.
Verhouding burger - bestuur
Overheid kan eenzijdig verplichtingen opleggen. Hiervoor wel een wet als grondslag nodig.
Meestal is deze grondslag niet sterk omlijnd waardoor de BO nog discretionaire
bevoegdheid toekomt zoals beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid. Toch moet BO aan
allerlei beginselen houden, zoals ABBB. Gecodificeerd is; het zorgvuldigheidsbeginsel 3:2.
In beleidsregels hebben BO zelf geregeld over hoe zij handelen wanneer ze over
discretionaire bevoegdheid beschikken. Hiervan mag niet zonder reden afgeweken worden,
o.g.v. het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Fundamentele beginselen
Democratie. Belangrijke elementen zijn: volkssoevereiniteit, scheiding van machten,
verantwoording van overheidshandelen.
Legaliteitsbeginsel. Overheid moet basis in de wet hebben voor optreden. Soms ook
geïmpliceerde bevoegdheid; wet dat bevoegdheid toekent om subsidies te verlenen,
impliceert ook om deze in te trekken (i.c.m. onverschuldigde betaling)
Specialiteitsbeginsel (uitwerking van legaliteitsbeginsel). Overheid mag bevoegdheid alleen
gebruiken voor het doel waarvoor deze in de wet is gegeven. Hiermee in strijd handelen
i.s.m. 3:3 Awb.
Rechtszekerheid. Niet gecodificeerd maar wel inbegrepen in andere belangrijke vereisten
voor overheidshandelen zoals een deugdelijke motivering ex. Art 3:46.
Formeel= bevoegdheden van BO moeten duidelijk begrensd worden zodat er geen
onduidelijkheid bestaat over de positie van de burger
Materieel= geldende recht moet ook daadwerkeelijk toegepast worden en dat een besluit
niet met terugwerkende kracht aan burgers kan worden tegengeworpen. Hieronder valt
bijvoorbeeld het vetrouwensbeginsel, 4:50 Awb.
Gelijkheid. Art 1 GW. Ongelijke gevallen mogen ongelijk behandeld worden, er moet
hiervoor sprake zijn vban een benoembare en uit te leggen grond voor ongelijkheid.
Beginsel van onpartijdigheid 2:4 Awb.
H2
Bestuursorgaan (A of B orgaan), 1:1 Awb
Belanghebbende, 1:2 Awb.
Belangrijk bij artikelen: 1:3 lid 3 -> verzoek om besluit in behandeling genomen, 4:7/8
gehoord worden, 3:4 lid 2 niet onevenredig geraakt worden door een besluit, 8:1
kunnen in beroep gaan.
Normadressaat, bij persoonsgerichte beschikking: degene wie het besluit gericht is,
(altijd belanghebbende).
Derdebelanghebbenden:
1) Eigen (niet van ander)
2) Persoonlijk (voldoende onderscheiden van grote groep, amorfe massa. Bij
concurrent; zelfde marktsegment +verzorgingsgebied ) nabijheids criterium en
zichtscriterium
3) Objectief bepaalbaar (geen subjectieve belevingswereld, kwaliteit van
woonomgeving is objectief bepaalbaar)
4) Actueel, voldoende zeker (op moment dat besluit genomen is moet je een belang
hebben)
5) Direct geraakt belang (voldoende causaal verband)
Belangenorganisaties-> 1:2 lid 3. Eisen
,1)rechtspersoon (rechtspersoonlijkheid: 1. de groepering moet voldoende
‘ledensubstraat’ hebben, wat bewezen kan worden uit de ledenadministratie,
ledenverloop, regelmatige financiële ledenbijdragen. 2. de groepering moet
voldoende organisatiestructuur hebben en gericht zijn op een bepaald doel)
2)met een algemeen of collectief bijzonder ‘in het bijzonder’ (nader bepaald)
3)belang moet blijkens statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden behartigt
worden
Gelijk het eigen, persoonlijke en objectief bepaalbare belang van een natuurlijke
persoon zal het algemene of collectieve belang van een rechtspersoon actueel en
voldoende zeker moeten zijn en ook direct geraakt door het besluit. Een te
precies of juist een te ruim omschreven doelomschrijving leidt al snel tot het
oordeel dat het belang niet geraakt werd door het besluit.
Bestuursorgaan als belanghebbende 1:2 lid 2
Luisteren
Belanghebbende art 1:2 Awb
STAP 1
1) Natuurlijke personen
2) Bestuursorganen
3) Rechtspersonen. Rechtspersoon moet algemene dan wel collectieve belangen
behartigen, dat doet hij door feitelijke werkzaamheden en krachtens zijn
doelstellingen(moet in de statuten staan)
Vaststellen van welke soort belanghebbende je spreekt, je hebt verschillende vereisten
Bij rechtspersoon niet altijd kijken naar lid 3, alleen als een collectief belang wordt
geschaad. Het gaat dan om het collectief belang van de leden. Maar als een rechtspersoon
subsidie aanvraagt voor zichzelf dan is het zijn eigen belang en zit je in lid 1. Goed kijken
of je in lid 1 of 3 zit.
STAP 2
Heb je te maken met een normadressaat? Als je normadressaat bent ben je direct
belanghebbende.
STAP 3 (kom je alleen aan toe als er geen normadressaat is, dus derde belanghebbenden)
De criteria bekijken (Opera -> niet zo noemen in het tentamen)
Objectief belang-> anderen moeten het ook zo kunnen ervaren, het moet objectief
bepaalbaar zijn ofwel niet louter subjectief. Subjectieve voorbeeld: vb ik ben christelijk, ik
vind casino mensen slechter maken. Objectief zou zijn, casinos verloederen de binnenstad
Persoonlijk belang-> onderscheidend van anderen, van de amorfe massa
Eigen-> niet voor een ander, voor je eigen
Rechtstreeks (direct betrokken)-> er moet een voldoende causaal verband zijn tussen het
besluit en je belang. Het mag geen afgeleid belang zijn. Vb je werkt op Neude als
serveerster, de gemeenteraad wil openingstijden terugdraaien. Als je door dat besluit
ontslagen word, ben je niet direct belanghebbende. Het besluit raakt namelijk de horeca
ondernemingen. Onderneming kan minder lang open blijven, daardoor minder veel
verdienen en daardoor wordt ontslagen. Het causale verband ligt hier te ver van elkaar. Je
hebt een afgeleid belang van de horeca ondernemer. En daardoor ben je geen rechtstreeks
belanghebbende
Actueel en voldoende zeker belang -> het moet niet in de toekomst liggen, maar op
moment van het besluit
Arresten
, Rechtstreeks en persoonlijk
Meeste jurisprudentie dat is opgenomen gaat over het persoonlijk belang
Arrest Kamsalamander gaat ook over persoonlijk belang: gaat over de geografische
afstand tussen belanghebbende en besluit dat werd genomen over een ander stuk gebied
waar een huis werd gesloopt.
Het ging over een meneer die aan zijn aangrenzende perceel stond een huis en dat huis
werd gesloopt. En in dat huis zaten vleermuizen, dat vond die meneer mooi en wilde niet
dat dat huis werd gesloopt. Tevens was er een vijvertje nabij waarin kamsalamanders
leefden.
Opdrachten thema 1
Opdracht 1
Hieronder staat een aantal bepalingen omschreven uit gemeentelijke verordeningen. Op de
afdeling Juridische Zaken van de gemeente is discussie ontstaan over de vraag of deze
bepalingen al dan niet in strijd zijn met de Awb en aangepast moeten worden. U wordt
ingeschakeld als juridisch deskundige voor de beantwoording van de vraag of er al dan niet
sprake is van strijd met de Awb.
a. Artikel 57 van een gemeentelijke verordening bepaalt dat het college van
burgemeester en wethouders binnen 9 weken op de aanvraag zal beslissen.
4:13 lid 2. Binnen 8 weken moet een BO een beschikking geven, mededeling doen als
bedoeld in 4:14 lid 3.
b. Artikel 88 van een gemeentelijke verordening bepaalt dat een bezwaarschrift tegen de
afwijzing van de aanvraag binnen 30 dagen moet worden ingediend.
Bepaling van dwingend recht 6:7 Awb, indienen mag binnen 6 weken geen ruimte om af te
wijken.
Opdracht 2
Geef bij de volgende voorbeelden aan of er sprake is van een bestuursorgaan in de zin van
de Awb.
Bestuursorgaan art 1:1 Awb.
1) Lid 1
Sub a; A orgaan orgaan VAN een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld
Sub b; B orgaan geen A orgaan, krachtens privaatrecht ingesteld, die openbaar
gezag heeft. Krijgt openbaar gezag krachtens de wet. (vb garagehouder, overheid
geeft krachtens wegensverkeerswet het recht aan garagehouders om APK’s uit te
geven)
2) Lid 2-> uitzonderingen
Eerst nagaan of iets aan A orgaan is, zo niet dan kijken B orgaan.
a. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht dat de subsidie van de
Rechtswinkel intrekt.
Art 2:1 BW: gemeente bezit rechtspersoonlijkheid, krachtens publiekrecht ingesteld
Art 6 GemW; B&W is orgaan van de gemeente
B&W is een bestuursorgaan ‘krachtens publiekrecht ingesteld’, 1:1 lid sub a Awb.
b. De Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht die vaststelt of de 13-jarige Laura is
aangewezen op jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorg.
1:1 onder b: college met enig openbaar gezag bekleed. Stichting voert publiekrechtelijke
functie uit, zie art 5 wet op de jeugdzorg. Voorzover de stichting die taak uitvoert is het
een B orgaan.
c. De beslissing van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht om een
Gelede normstelling: het fenomeen dat de normstelling plaatsvindt via een getrapt
opgebouwde keten van overheidsbesluiten. De gelede normstelling vormt de rode draad in
het bestuursrecht.
Verhouding burger - bestuur
Overheid kan eenzijdig verplichtingen opleggen. Hiervoor wel een wet als grondslag nodig.
Meestal is deze grondslag niet sterk omlijnd waardoor de BO nog discretionaire
bevoegdheid toekomt zoals beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid. Toch moet BO aan
allerlei beginselen houden, zoals ABBB. Gecodificeerd is; het zorgvuldigheidsbeginsel 3:2.
In beleidsregels hebben BO zelf geregeld over hoe zij handelen wanneer ze over
discretionaire bevoegdheid beschikken. Hiervan mag niet zonder reden afgeweken worden,
o.g.v. het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Fundamentele beginselen
Democratie. Belangrijke elementen zijn: volkssoevereiniteit, scheiding van machten,
verantwoording van overheidshandelen.
Legaliteitsbeginsel. Overheid moet basis in de wet hebben voor optreden. Soms ook
geïmpliceerde bevoegdheid; wet dat bevoegdheid toekent om subsidies te verlenen,
impliceert ook om deze in te trekken (i.c.m. onverschuldigde betaling)
Specialiteitsbeginsel (uitwerking van legaliteitsbeginsel). Overheid mag bevoegdheid alleen
gebruiken voor het doel waarvoor deze in de wet is gegeven. Hiermee in strijd handelen
i.s.m. 3:3 Awb.
Rechtszekerheid. Niet gecodificeerd maar wel inbegrepen in andere belangrijke vereisten
voor overheidshandelen zoals een deugdelijke motivering ex. Art 3:46.
Formeel= bevoegdheden van BO moeten duidelijk begrensd worden zodat er geen
onduidelijkheid bestaat over de positie van de burger
Materieel= geldende recht moet ook daadwerkeelijk toegepast worden en dat een besluit
niet met terugwerkende kracht aan burgers kan worden tegengeworpen. Hieronder valt
bijvoorbeeld het vetrouwensbeginsel, 4:50 Awb.
Gelijkheid. Art 1 GW. Ongelijke gevallen mogen ongelijk behandeld worden, er moet
hiervoor sprake zijn vban een benoembare en uit te leggen grond voor ongelijkheid.
Beginsel van onpartijdigheid 2:4 Awb.
H2
Bestuursorgaan (A of B orgaan), 1:1 Awb
Belanghebbende, 1:2 Awb.
Belangrijk bij artikelen: 1:3 lid 3 -> verzoek om besluit in behandeling genomen, 4:7/8
gehoord worden, 3:4 lid 2 niet onevenredig geraakt worden door een besluit, 8:1
kunnen in beroep gaan.
Normadressaat, bij persoonsgerichte beschikking: degene wie het besluit gericht is,
(altijd belanghebbende).
Derdebelanghebbenden:
1) Eigen (niet van ander)
2) Persoonlijk (voldoende onderscheiden van grote groep, amorfe massa. Bij
concurrent; zelfde marktsegment +verzorgingsgebied ) nabijheids criterium en
zichtscriterium
3) Objectief bepaalbaar (geen subjectieve belevingswereld, kwaliteit van
woonomgeving is objectief bepaalbaar)
4) Actueel, voldoende zeker (op moment dat besluit genomen is moet je een belang
hebben)
5) Direct geraakt belang (voldoende causaal verband)
Belangenorganisaties-> 1:2 lid 3. Eisen
,1)rechtspersoon (rechtspersoonlijkheid: 1. de groepering moet voldoende
‘ledensubstraat’ hebben, wat bewezen kan worden uit de ledenadministratie,
ledenverloop, regelmatige financiële ledenbijdragen. 2. de groepering moet
voldoende organisatiestructuur hebben en gericht zijn op een bepaald doel)
2)met een algemeen of collectief bijzonder ‘in het bijzonder’ (nader bepaald)
3)belang moet blijkens statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden behartigt
worden
Gelijk het eigen, persoonlijke en objectief bepaalbare belang van een natuurlijke
persoon zal het algemene of collectieve belang van een rechtspersoon actueel en
voldoende zeker moeten zijn en ook direct geraakt door het besluit. Een te
precies of juist een te ruim omschreven doelomschrijving leidt al snel tot het
oordeel dat het belang niet geraakt werd door het besluit.
Bestuursorgaan als belanghebbende 1:2 lid 2
Luisteren
Belanghebbende art 1:2 Awb
STAP 1
1) Natuurlijke personen
2) Bestuursorganen
3) Rechtspersonen. Rechtspersoon moet algemene dan wel collectieve belangen
behartigen, dat doet hij door feitelijke werkzaamheden en krachtens zijn
doelstellingen(moet in de statuten staan)
Vaststellen van welke soort belanghebbende je spreekt, je hebt verschillende vereisten
Bij rechtspersoon niet altijd kijken naar lid 3, alleen als een collectief belang wordt
geschaad. Het gaat dan om het collectief belang van de leden. Maar als een rechtspersoon
subsidie aanvraagt voor zichzelf dan is het zijn eigen belang en zit je in lid 1. Goed kijken
of je in lid 1 of 3 zit.
STAP 2
Heb je te maken met een normadressaat? Als je normadressaat bent ben je direct
belanghebbende.
STAP 3 (kom je alleen aan toe als er geen normadressaat is, dus derde belanghebbenden)
De criteria bekijken (Opera -> niet zo noemen in het tentamen)
Objectief belang-> anderen moeten het ook zo kunnen ervaren, het moet objectief
bepaalbaar zijn ofwel niet louter subjectief. Subjectieve voorbeeld: vb ik ben christelijk, ik
vind casino mensen slechter maken. Objectief zou zijn, casinos verloederen de binnenstad
Persoonlijk belang-> onderscheidend van anderen, van de amorfe massa
Eigen-> niet voor een ander, voor je eigen
Rechtstreeks (direct betrokken)-> er moet een voldoende causaal verband zijn tussen het
besluit en je belang. Het mag geen afgeleid belang zijn. Vb je werkt op Neude als
serveerster, de gemeenteraad wil openingstijden terugdraaien. Als je door dat besluit
ontslagen word, ben je niet direct belanghebbende. Het besluit raakt namelijk de horeca
ondernemingen. Onderneming kan minder lang open blijven, daardoor minder veel
verdienen en daardoor wordt ontslagen. Het causale verband ligt hier te ver van elkaar. Je
hebt een afgeleid belang van de horeca ondernemer. En daardoor ben je geen rechtstreeks
belanghebbende
Actueel en voldoende zeker belang -> het moet niet in de toekomst liggen, maar op
moment van het besluit
Arresten
, Rechtstreeks en persoonlijk
Meeste jurisprudentie dat is opgenomen gaat over het persoonlijk belang
Arrest Kamsalamander gaat ook over persoonlijk belang: gaat over de geografische
afstand tussen belanghebbende en besluit dat werd genomen over een ander stuk gebied
waar een huis werd gesloopt.
Het ging over een meneer die aan zijn aangrenzende perceel stond een huis en dat huis
werd gesloopt. En in dat huis zaten vleermuizen, dat vond die meneer mooi en wilde niet
dat dat huis werd gesloopt. Tevens was er een vijvertje nabij waarin kamsalamanders
leefden.
Opdrachten thema 1
Opdracht 1
Hieronder staat een aantal bepalingen omschreven uit gemeentelijke verordeningen. Op de
afdeling Juridische Zaken van de gemeente is discussie ontstaan over de vraag of deze
bepalingen al dan niet in strijd zijn met de Awb en aangepast moeten worden. U wordt
ingeschakeld als juridisch deskundige voor de beantwoording van de vraag of er al dan niet
sprake is van strijd met de Awb.
a. Artikel 57 van een gemeentelijke verordening bepaalt dat het college van
burgemeester en wethouders binnen 9 weken op de aanvraag zal beslissen.
4:13 lid 2. Binnen 8 weken moet een BO een beschikking geven, mededeling doen als
bedoeld in 4:14 lid 3.
b. Artikel 88 van een gemeentelijke verordening bepaalt dat een bezwaarschrift tegen de
afwijzing van de aanvraag binnen 30 dagen moet worden ingediend.
Bepaling van dwingend recht 6:7 Awb, indienen mag binnen 6 weken geen ruimte om af te
wijken.
Opdracht 2
Geef bij de volgende voorbeelden aan of er sprake is van een bestuursorgaan in de zin van
de Awb.
Bestuursorgaan art 1:1 Awb.
1) Lid 1
Sub a; A orgaan orgaan VAN een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld
Sub b; B orgaan geen A orgaan, krachtens privaatrecht ingesteld, die openbaar
gezag heeft. Krijgt openbaar gezag krachtens de wet. (vb garagehouder, overheid
geeft krachtens wegensverkeerswet het recht aan garagehouders om APK’s uit te
geven)
2) Lid 2-> uitzonderingen
Eerst nagaan of iets aan A orgaan is, zo niet dan kijken B orgaan.
a. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht dat de subsidie van de
Rechtswinkel intrekt.
Art 2:1 BW: gemeente bezit rechtspersoonlijkheid, krachtens publiekrecht ingesteld
Art 6 GemW; B&W is orgaan van de gemeente
B&W is een bestuursorgaan ‘krachtens publiekrecht ingesteld’, 1:1 lid sub a Awb.
b. De Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht die vaststelt of de 13-jarige Laura is
aangewezen op jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorg.
1:1 onder b: college met enig openbaar gezag bekleed. Stichting voert publiekrechtelijke
functie uit, zie art 5 wet op de jeugdzorg. Voorzover de stichting die taak uitvoert is het
een B orgaan.
c. De beslissing van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht om een