Samenvatting aardrijkskunde h1 klimaatvraagstukken
Het klimaatsysteem
Paragraaf 1: De atmosfeer – een omhulsel van gas
Weer = toestand van de dampkring op een bepaald moment voor een klein gebied (momentopname)
Klimaat = gemiddelde toestand van het weer over een lange periode in een groot gebied (berekend
over 30 jaar)
De atmosfeer bestaat uit 4 lagen:
- Troposfeer waar de temperatuur met grotere hoogte steeds verder daalt
- Stratosfeer met veel ozongas die schadelijke ultravioletstraling uit het zonlicht filtert
- Mesosfeer waar meteorieten uit elkaar vallen en verbranden
- Thermosfeer met minder dan 1% van de atmosferische gassen
Het wordt kouder naar mate je hoger komt, omdat de warmte van beneden komt. Dus hoe verder
van beneden, hoe kouder. Boven op de berg is het kouder omdat het een klein oppervlak is en je dus
niet zo veel warmtestraling hebt.
Daarna wordt het boven de 16km weer warmer omdat de lucht ijler wordt. De luchtdeeltjes gaan
meer bewegen waardoor de temperatuur stijgt. Bij de 45km zijn er weer minder luchtdeeltjes
waardoor ze ook niet makkelijk snel door elkaar kunnen bewegen de temperatuur wordt kouder.
Vanaf de 85km zijn de luchtdeeltjes op en wordt de temperatuur weer hoger door alle straling die
daar voorkomt.
Stralingsbalans / energiebalans het evenwicht tussen de hoeveelheid straling die de atmosfeer
bereikt en weer verlaat.
Er komen korte golven van de zon – die zijn smal
Er komen lange golven vanuit de aarde – die zijn breed
Wolken houden de lange golven tegen het wordt warmer
De hoeveelheid straling die een gebied ontvangt hangt af van:
- Albedo
- Breedteligging
- Gesteldheid van het aardoppervlak
Water wordt langzamer warm en koud dan land, doordat:
- Zonlicht dieper doordringt in water dan in land
- Water beweegt en warmte dus beter wordt verdeeld dan op land
- Het meer energie kost om water een graad in temperatuur te laten stijgen dan land
- Bij verdamping van water energie uit water naar de dampkring gaat
Het klimaatsysteem
Paragraaf 1: De atmosfeer – een omhulsel van gas
Weer = toestand van de dampkring op een bepaald moment voor een klein gebied (momentopname)
Klimaat = gemiddelde toestand van het weer over een lange periode in een groot gebied (berekend
over 30 jaar)
De atmosfeer bestaat uit 4 lagen:
- Troposfeer waar de temperatuur met grotere hoogte steeds verder daalt
- Stratosfeer met veel ozongas die schadelijke ultravioletstraling uit het zonlicht filtert
- Mesosfeer waar meteorieten uit elkaar vallen en verbranden
- Thermosfeer met minder dan 1% van de atmosferische gassen
Het wordt kouder naar mate je hoger komt, omdat de warmte van beneden komt. Dus hoe verder
van beneden, hoe kouder. Boven op de berg is het kouder omdat het een klein oppervlak is en je dus
niet zo veel warmtestraling hebt.
Daarna wordt het boven de 16km weer warmer omdat de lucht ijler wordt. De luchtdeeltjes gaan
meer bewegen waardoor de temperatuur stijgt. Bij de 45km zijn er weer minder luchtdeeltjes
waardoor ze ook niet makkelijk snel door elkaar kunnen bewegen de temperatuur wordt kouder.
Vanaf de 85km zijn de luchtdeeltjes op en wordt de temperatuur weer hoger door alle straling die
daar voorkomt.
Stralingsbalans / energiebalans het evenwicht tussen de hoeveelheid straling die de atmosfeer
bereikt en weer verlaat.
Er komen korte golven van de zon – die zijn smal
Er komen lange golven vanuit de aarde – die zijn breed
Wolken houden de lange golven tegen het wordt warmer
De hoeveelheid straling die een gebied ontvangt hangt af van:
- Albedo
- Breedteligging
- Gesteldheid van het aardoppervlak
Water wordt langzamer warm en koud dan land, doordat:
- Zonlicht dieper doordringt in water dan in land
- Water beweegt en warmte dus beter wordt verdeeld dan op land
- Het meer energie kost om water een graad in temperatuur te laten stijgen dan land
- Bij verdamping van water energie uit water naar de dampkring gaat