medische biologie
Algemene ziekteleer
kan uitleggen wat endogene, exogene en multifactoriële ziekteoorzaken zijn en
voorbeelden benoemen;
kan benoemen wat anamnese, lichamelijk onderzoek en differentiaal diagnose
inhouden;
kan benoemen wat de meest voorkomende diagnostische onderzoeken zijn en wat
deze inhouden;
kan uitleggen wat onder multimorbiditeit wordt verstaan en mogelijke gevolgen
hiervan benoemen.
Ziekteoorzaken
Etiologie gaat over ziekteoorzaken.
Onderscheid maken in risicofactoren, oorzaken:
Endogeen -> van binnen uit, genetisch materiaal
Exogeen -> van buitenaf/omgeving
Multifactorieel -> combinatie van erfelijke en omgevingsfactoren
Endogeen:
22 paar autosomen en 1 paar geslachtschromosomen = 23 paar chromosomen
Autosomaal recessieve overerving -> op gewone chromosomen, recessief vs dominant
1 fout (recessief) gen dan ben je een drager
2x recessief gen -> komt tot uiting
Autosomaal dominante overerving -> 1 fout gen, direct tot uiting
Geslachtsgebonden recessieve overerving -> gen ligt op geslachtschromosoom
X-gebonden, aandoeningen komen meer voor bij mannen omdat mannen maar 1 X-chromosoom
hebben
Geslachtsgebonden dominante overerving -> vrij zeldzaam, verkeerde gen te pakken, ziekte tot uiting
Polygenetisch/multifactorieel -> bij de vorming van een celeiwit kunnen meerdere genen betrokken
zijn, multifactorieel beïnvloed door omgevingsfactoren
Exogeen:
Fysisch -> mechanische/thermische/elektrische/stralingsenergie
Chemisch -> zoutzuur/inname giftige stoffen
Oorzaken gelegen in de voeding -> overschot of tekort aan stoffen
Biologisch -> micro-organismen/huisstofmijt
,Pathogenen/ziekteverwekkers
Virussen
-bestaat uit erfelijkmateriaal (RNA of DNA) omgeven door eiwit
-heeft gastheercel nodig
Bacteriën
-eencellig organisme zonder celkern
-overal op aarde
-commensale flora -> heb je nodig, balans tussen schimmels en bacteriën moet goed zijn
-te doden met antibiotica
Schimmels
-een of meercellige micro-organismen
-mycose-schimmelinfectie
-op de huid en slijmvliezen
-in de bloedbaan (gegeneraliseerd, heel gevaarlijk)
-te behandelen met antimycotica
Parasieten
-organisme dat leeft ten koste van een ander organisme
-meestal overgedragen via huid of mond
- er zijn ook eencellige kleine parasieten
Diagnostiek
Anamnese
Lichamelijk onderzoek
Differentiaal onderzoek
Aanvullend onderzoek
Diagnose/therapie
Wat moet je hiermee als verpleegkundige?
Anamnese
Vraaggesprek
Speciële anamnese, hoofdklacht -> wat/waar/verloop/geschiedenis
Algemene anamnese -> medische voorgeschiedenis, gebruik je al medicatie, allergieën, hoe is
je algemene gezondheid, intoxicatie, contactpersoon
Heteroanamnese -> gesprek met familie
Lichamelijk onderzoek
Inspectie (kijken) -> kleur, voedingstoestand, bewustzijn/algemene indruk
Auscultatie (luisteren) -> ronchi (reutelen)/luisteren naar longen, hartruis
Percussie (kloppen) -> demping over hol orgaan? -> vocht/tumor, begrenzen organen/waar
bevindt een orgaan zich
Palpatie (voelen) -> pitting oedeem, druk/loslaatpijn
Differentiaal diagnose (DD)
Vereenvoudigd voorbeeld en hierna een lijstje maken met mogelijke ziekten in volgorde van
waarschijnlijkheid
Hierna aanvullend onderzoek
Aanvullend onderzoek:
Laboratoriumonderzoek
bloedonderzoek (zuurstoftransport, stolling, ontsteking, leverfunctie, nierfunctie, glucose
urineonderzoek
,Beeldvormend onderzoek
radiologie
verschillende technieken berust op andere eigenschappen (geluid enz.)
Functieonderzoek
elektrocardiografie ECG (hartfilmpje)
elektro-encefalografie EEG (hersenbeeldvorming)
longfunctieonderzoek
Therapie
na stellen van diagnose
doel -> preventief (proberen te voorkomen) /curatief (oorzaak aanpakken, proberen te
genezen) /palliatief (proberen kwaliteit van leven zo hoog mogelijk te houden, kan niet
genezen) /terminaal (helpen in laatste levensfase)
aangrijpingspunten behandeling -> causaal (oorzaak aanpakken) / symptomatisch
(symptomen aanpakken) / substitutie (aanvulling)
Multimorbiditeit
multimorbiditeit -> meerdere ziekten tegelijk hebben
Al die ziekten leiden tot meer intensieve zorg en dit kost geld.
Medische terminologie en cellen
kan de anatomische houding herkennen;
kan de algemene medische terminologie en de medische terminologie van
doorsneden van het lichaam en de plaats en richting van bewegen van lichaamsdelen
interpreteren;
kan het verschil tussen anabole en katabole processen uitleggen en daarbij de
kenmerken van een enzym benoemen;
kan de bouw en functie van een menselijke cel uitleggen (inclusief de organellen);
kan de bouw en functie van de celmembraan uitleggen in relatie tot het transport
over de celmembraan (passief en actief);
kan benoemen wat DNA is en de functie uitleggen;
kan het proces van eiwitsynthese herkennen;
kan de levenscyclus van de cel beschrijven (met proces van mitose).
Anatomische houding
De anatomische afgesproken houding is met de handpalmen naar voren.
Cranium Schedel
Cefaal Hoofd
Faciaal Gezicht
Frontaal Voorhoofd
Oculus Oog
Buccaal Wang
Auris Oor
, Nasus Neus
Cervix Hals/nek
Os Mond
Mentaal Kin
Axilla Oksel
Thorax Borstkas
Mamma Borst
Brachium Arm
Antebrachium Voorarm
Cubiti Elleboog
Abdomen Buik
Umbilicus Navel
Pelvis Bekken
Carpus Pols
Palma Handpalm
Pollux Duim
Digiti/phalanges Vingers
Patella Knieschuif
Cruris Onderbeen
Tarsus Enkel
Inguinaal Lies
Pubicus Schaamstreek
Femur Bovenbeen/dij
Pes Voet
Phalanges Tenen
Hallux Grote teen
Acromion Schouder
Dorsum Rug
Olecranon Elleboog
Lumbus Lendenen
Gluteus Bil
Popliteus Knieholte
Suraal Kuit
Calcaneus Hiel
Planta Voetzool