Samenvatting Grammatica toets PABO
2
Zinsdelen enkelvoudige zin
Onderwerp
= de persoon of de zaak die actie onderneemt of een handeling verricht.
Manieren om het onderwerp te vinden:
1. Als je wie of wat voor de persoonsvorm zet, is het antwoord op de vraag het
onderwerp
2. Als je de persoonsvorm van enkelvoud naar meervoud verandert, verandert het
onderwerp ook
3. Als je de zin vragend maakt met de persoonsvorm vooraan, komt het onderwerp
meteen achter de persoonsvorm
Werkwoordelijk gezegde
= de persoonsvorm en alle andere werkwoorden in een zin.
Stappen om het werkwoordelijk gezegde te vinden:
1. Zoek eerst de persoonsvorm
2. Zijn er nog andere werkwoorden? Dan vormen deze met de persoonsvorm het
werkwoordelijk gezegde
3. Is de persoonsvorm het enige werkwoord? Dan is de persoonsvorm het
werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
= een combinatie van een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel.
Het koppelwerkwoord koppelt het naamwoordelijk deel aan het onderwerp. Het
naamwoordelijk deel geeft een eigenschap aan van het onderwerp.
3 stappen om het naamwoordelijk gezegde te vinden:
1. Is de persoonsvorm een van de koppelwerkwoorden?
2. Zo ja, zoek dan het naamwoordelijk deel dat het koppelwerkwoord koppelt aan het
onderwerp
3. Het koppelwerkwoord en het naamwoordelijk deel vormen samen het
naamwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
= deel van de zin dat niet zelf handelt of actief is, maar dat de handeling ondergaat.
Het kan een persoon of een ding zijn.
, 3 stappen om het lijdend voorwerp te vinden:
1. Zoek eerst het gezegde en het onderwerp
2. Zet wie of wat voor het gezegde en het onderwerp en maak er zo een vraag van
3. Als er een antwoord op je vraag is dan is dat het lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
= deel van de zin dat meewerkt aan een handeling.
Vaak is het een persoon, maar het kan ook een ding zijn.
In een zin met lijdend vw staat soms nog een zinsdeel, meestal een persoon. 3 stappen:
1. Kun je er aan of voor voor denken?
2. Als aan of voor ervoor staat, kun je dit woord dan weglaten?
3. Is het antwoord op deze vragen ja, dan is dit zinsdeel een meewerkend voorwerp
Voorzetselvoorwerp
= zinsdeel dat begint met een voorzetsel.
Dit voorzetsel vormt een vaste combinatie met een werkwoord. Je kunt dit niet weglaten.
Bijwoordelijke bepaling
= zinsdeel dat je iets vertelt over tijd, plaats, richting, reden, hoeveelheid.
Het geeft antwoord op de vragen wanneer, waar, waarheen, waarom, hoe, hoeveel.
Bijvoeglijke bepaling
= zinsdeel dat informatie geeft over een zelfstandig naamwoord.
Met deze 3 stappen te vinden:
1. Zoek het onderwerp en lijdend voorwerp
2. Bestaat het zinsdeel uit meer woorden? Kijk dan verder binnen dit zinsdeel
3. Als een woord iets zegt over een zelfstandig naamwoord, is dat een bijvoeglijke
bepaling
Bepaling van gesteldheid
= geeft informatie over het onderwerp of het lijdend voorwerp van de zin, en ze geeft meer
informatie over datgene wat in het gezegde wordt uitgedrukt.
2
Zinsdelen enkelvoudige zin
Onderwerp
= de persoon of de zaak die actie onderneemt of een handeling verricht.
Manieren om het onderwerp te vinden:
1. Als je wie of wat voor de persoonsvorm zet, is het antwoord op de vraag het
onderwerp
2. Als je de persoonsvorm van enkelvoud naar meervoud verandert, verandert het
onderwerp ook
3. Als je de zin vragend maakt met de persoonsvorm vooraan, komt het onderwerp
meteen achter de persoonsvorm
Werkwoordelijk gezegde
= de persoonsvorm en alle andere werkwoorden in een zin.
Stappen om het werkwoordelijk gezegde te vinden:
1. Zoek eerst de persoonsvorm
2. Zijn er nog andere werkwoorden? Dan vormen deze met de persoonsvorm het
werkwoordelijk gezegde
3. Is de persoonsvorm het enige werkwoord? Dan is de persoonsvorm het
werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
= een combinatie van een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel.
Het koppelwerkwoord koppelt het naamwoordelijk deel aan het onderwerp. Het
naamwoordelijk deel geeft een eigenschap aan van het onderwerp.
3 stappen om het naamwoordelijk gezegde te vinden:
1. Is de persoonsvorm een van de koppelwerkwoorden?
2. Zo ja, zoek dan het naamwoordelijk deel dat het koppelwerkwoord koppelt aan het
onderwerp
3. Het koppelwerkwoord en het naamwoordelijk deel vormen samen het
naamwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
= deel van de zin dat niet zelf handelt of actief is, maar dat de handeling ondergaat.
Het kan een persoon of een ding zijn.
, 3 stappen om het lijdend voorwerp te vinden:
1. Zoek eerst het gezegde en het onderwerp
2. Zet wie of wat voor het gezegde en het onderwerp en maak er zo een vraag van
3. Als er een antwoord op je vraag is dan is dat het lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
= deel van de zin dat meewerkt aan een handeling.
Vaak is het een persoon, maar het kan ook een ding zijn.
In een zin met lijdend vw staat soms nog een zinsdeel, meestal een persoon. 3 stappen:
1. Kun je er aan of voor voor denken?
2. Als aan of voor ervoor staat, kun je dit woord dan weglaten?
3. Is het antwoord op deze vragen ja, dan is dit zinsdeel een meewerkend voorwerp
Voorzetselvoorwerp
= zinsdeel dat begint met een voorzetsel.
Dit voorzetsel vormt een vaste combinatie met een werkwoord. Je kunt dit niet weglaten.
Bijwoordelijke bepaling
= zinsdeel dat je iets vertelt over tijd, plaats, richting, reden, hoeveelheid.
Het geeft antwoord op de vragen wanneer, waar, waarheen, waarom, hoe, hoeveel.
Bijvoeglijke bepaling
= zinsdeel dat informatie geeft over een zelfstandig naamwoord.
Met deze 3 stappen te vinden:
1. Zoek het onderwerp en lijdend voorwerp
2. Bestaat het zinsdeel uit meer woorden? Kijk dan verder binnen dit zinsdeel
3. Als een woord iets zegt over een zelfstandig naamwoord, is dat een bijvoeglijke
bepaling
Bepaling van gesteldheid
= geeft informatie over het onderwerp of het lijdend voorwerp van de zin, en ze geeft meer
informatie over datgene wat in het gezegde wordt uitgedrukt.