1.1 Theoretische inbedding
Kwalitatief onderzoek basiskenmerken Diepgaand begrijpen van iets
Gebruik van aanpasbare methoden (niet standaard)
Gedetailleerde, rijke en complexe methodes, informatie,
beschrijvingen,…
Invloeden op kwalitatief onderzoek Ontologie: de aard van de werkelijkheid (overtuigingen van de
onderzoeker over de werkelijkheid)
Realisme: de externe realiteit onafhankelijk van jouw
opvattingen en gedachten
Naïef, oppervlakkig realisme: ervan uitgaan dat je direct
de werkelijkheid rechtstreeks kunt waarnemen
(oppervlakkig, want er is wel meer dan het eerste zicht)
Voorzichtig realisme: werkelijkheid kan gekend worden
door er diep op in te gaan of in andere situaties kan die
onmogelijk volledig gekend worden
Diepte, kritisch of transcendent realisme: 3
verschillende niveaus van de werkelijkheid:
1. Het empirische
2. Het actuele
3. Het werkelijke domein
o Subtiel realisme: werkelijkheid kan enkel goed
waargenomen worden door een menselijke geest
o Materialisme: in de werkelijkheid erken je alleen
materialistische eigenschappen:
Waarden, overtuigingen en ervaringen zijn hierin
epifenomenen
Idealisme: de werkelijkheid in de ogen van de onderzoeker of
een ander individu:
subtiel, contextueel, collectief idealisme: werkelijkheid
= door mensen gemaakte gedeelde representatie
relativisme of radicaal idealisme: iedereen heeft een
eigen unieke opvatting van de wereld
,1 Theorie van kwalitatief onderzoek
opvattingen zijn altijd een mengeling van realisme en idealisme
Epistemologie: vragen over hoe we kennis van de werkelijkheid
verkrijgen
Inductie: bewijs wordt gebruikt om tot een conclusie te komen
Deductie: bewijs wordt gebruikt om voorgaande conclusies te
ondersteunen (en terug in het licht te zetten)
Retroductie: door het testen van verschillende modellen stelt
men structuren vast die zouden kunnen leiden tot iets
Abductie: Feit F wordt vastgesteld
Als hypothese H waar is dan is F vanzelfsprekend
We kunnen denken dat H waar is dus
Soorten kennis in de epistemologie:
Fundamentele kennis: de werkelijkheid kan precies worden
weergegeven
Fallibilistische kennis: niets precies; alles voorlopig en in
verandering
Waardengemedieerde kennis: (idealisme) kennis wordt
geïnterpreteerd adhv de waarden van de persoon die ontvangt
of kennis geeft
Objectieve kennis: (realisme) waardengemedieerde kennis
Empathische neutraliteit: (tussen objectief en waardengemedieerd)
Theorieën over epistemologie:
Correspondentietheorie van de waarheid: iets is waar als die
overeenstemt met de onafhankelijke werkelijkheid (realisme)
Vooral in Natuurwetenschappen
Coherentietheorie van de waarheid: iets is waar als andere
beweringen dat ondersteunen
Vooral in sociale wetenschappen
Pragmatische theorie van de waarheid: iets is waar als het
praktisch nut heeft, het bruikbaar, helpend en productief is
, 1 Theorie van kwalitatief onderzoek
Positivisme Of empirisme: observatie maakt kennis
fundamentele kennis (werkelijkheid kàn accuraat gekend worden)
Inductieve benadering
De werkelijkheid wordt niet beïnvloed door het onderzoeksproces
Post-positivisme Of falsificationisme of post-empirisme:
meer fallibilistisch: omdat er een mogelijkheid is dat toekomstige
observaties kennis vervormen
Meer gericht op het toetsen van stellingen: deductieve benadering
Werkelijkheid wordt niet beïnvloed door het onderzoeksproces
Interpretivisme Of constructivisme: het construct van de werkelijkheid hangt af van observaties
én interpretatie (de beleving die je zelf meemaakt: verschillend bij iedereen)
Verschil positivisme:
meer waardegemedieerde kennis omdat het van persoon tot persoon
verschilt => geen feitelijke kennis dus
grotendeels inductief; want interpretaties komen er door de input van
info/observaties
werkelijkheid wordt wel beïnvloed door onderzoeksproces
Benaderingen in kwalitatief onderzoek Etnografie: onderzoek naar de sociale werkelijkheid (bv cultuur) door
(soorten onderzoek) op te gaan in de gemeenschap
Fenomenologie/etnomethodologie: onderzoek naar hoe mensen de
sociale werkelijkheid zien door dit uit gesprekken af te leiden
Conservatieanalyse: onderzoek naar de structuren in spraak (hieruit
betekenis halen)
Discoursanalyse: onderzoek naar manieren waarop kennis ontstaat