Biologie Samenvatting CSE
Hoofstuk 1 Cellen, organen en orgaanstelsels
1.1 Cel
Eukaryoten cel heeft een kern met chromosomen, celmembraan (barrière), mitochondriën (ATP-
productie), endoplasmatisch reticulum (transport), ribosomen (eiwitsynthese), golgisysteem (opslag
en vorming) en lysosomen (vertering).
Prokaryoten cel heeft geen kern.
Diffusie- kleine moleculen gaan door het membraam.
Osmose- opgeloste stoffen kunnen niet door het membraam en de contracties zijn verschillend.
Plantaardige organellen hebben grote vacuole, plastiden zoals chloroplasten (fotosynthese) en
hebben een celwand.
1.2 Organen
Organen van zaadplanten
1.3 biologische eenheden
Molecuul – Cel – Orgaan – Orgaanstelsel – Organisme – Populatie – Ecosysteem
De 4 rijken:
Bacteriën- heterotroof, geen kern maar wel een celwand.
Schimmels- heterotroof, celkern en een celwand.
Planten- autotroof, celkern, plastide, vacuole en celwand.
Dieren- heterotroof, celkern en geen celwand.
, Hoofdstuk 2 Erfelijkheid
2.1 Kruisingen
Genotype zijn je genen, ook wel in je DNA. Je hebt een dominant allel en een ressief allel.
Homozygoot- 2 gelijke allelen
Heterozygoot- 2 verschillende allelen.
Fenotypen is waarneembare eigenschappen.
Monohybride kruising- hierbij wordt gelet op een eigenschap op een genenpaar.
Vrouw: AA Man: aa
a a
A Aa Aa
A Aa Aa
Dihybride kruising- hierbij wordt gelet op 2 eigenschappen op 2 genenparen.
Vrouw: AABB Man: aabb
ab ab
AB ABab ABab
AB ABab ABab
2.1 Erfelijkheid bij bloed
Bloedgroep A IAIA of IAi
Bloedgroep B IBIB of IBi
Bloedgroep AB IAIB
Bloedgroep 0 ii
X-chromosomale genen liggen in de X-chromosomen.
Hoofstuk 1 Cellen, organen en orgaanstelsels
1.1 Cel
Eukaryoten cel heeft een kern met chromosomen, celmembraan (barrière), mitochondriën (ATP-
productie), endoplasmatisch reticulum (transport), ribosomen (eiwitsynthese), golgisysteem (opslag
en vorming) en lysosomen (vertering).
Prokaryoten cel heeft geen kern.
Diffusie- kleine moleculen gaan door het membraam.
Osmose- opgeloste stoffen kunnen niet door het membraam en de contracties zijn verschillend.
Plantaardige organellen hebben grote vacuole, plastiden zoals chloroplasten (fotosynthese) en
hebben een celwand.
1.2 Organen
Organen van zaadplanten
1.3 biologische eenheden
Molecuul – Cel – Orgaan – Orgaanstelsel – Organisme – Populatie – Ecosysteem
De 4 rijken:
Bacteriën- heterotroof, geen kern maar wel een celwand.
Schimmels- heterotroof, celkern en een celwand.
Planten- autotroof, celkern, plastide, vacuole en celwand.
Dieren- heterotroof, celkern en geen celwand.
, Hoofdstuk 2 Erfelijkheid
2.1 Kruisingen
Genotype zijn je genen, ook wel in je DNA. Je hebt een dominant allel en een ressief allel.
Homozygoot- 2 gelijke allelen
Heterozygoot- 2 verschillende allelen.
Fenotypen is waarneembare eigenschappen.
Monohybride kruising- hierbij wordt gelet op een eigenschap op een genenpaar.
Vrouw: AA Man: aa
a a
A Aa Aa
A Aa Aa
Dihybride kruising- hierbij wordt gelet op 2 eigenschappen op 2 genenparen.
Vrouw: AABB Man: aabb
ab ab
AB ABab ABab
AB ABab ABab
2.1 Erfelijkheid bij bloed
Bloedgroep A IAIA of IAi
Bloedgroep B IBIB of IBi
Bloedgroep AB IAIB
Bloedgroep 0 ii
X-chromosomale genen liggen in de X-chromosomen.