1.1
1. Je kan uitleggen wat gedrag is.
Alles wat dieren of mensen doen of laten.
2. Je kan uitleggen wat het nut is van gedragsonderzoek en een paar
voorbeelden hierbij noemen.
Om zo te onderzoeken of dierlijk gedrag te vergelijken is met menselijk
gedrag. Zo kunnen mensen de omgang met dieren verbeteren en hun
welzijn te verbeteren.
3. “Onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat gedrag is aangepast aan
de leefomstandigheden”, je kan deze zin uitleggen.
Het gedrag pas je aan de leefomstandigheden. Dieren op het land hebben
andere overlevingstechnieken dan dieren op het water. Die
overlevingstechnieken hoort bij het gedrag.
4. Je kan de begrippen inwendige prikkel, uitwendige prikkel,
motiverende factoren, respons, motivatie en drempelwaarde
toepassen in een grafiek zoals in bron 1 op blz. 12. Je
kan voorbeelden noemen bij deze begrippen en de definitie geven.
Inwendige prikkel: prikkels die van binnenuit komen.
Uitwendige prikkel: prikkels die van buitenaf komen.
Motiverende factoren: combinatie van inwendige- en uitwendige prikkels.
Motivatie: de bereidheid om een gedrag uit te voeren.
Drempelwaarde: hoogte van de motivatie door een of meer prikkels.
Respons: gedrag dat wordt vertoond nadat de drempelwaarde is
overschreden.
5. Je weet hoe gedrag is opgebouwd en kan de volgende facetten
van gedrag herkennen en hiervan voorbeelden noemen, zowel bij
mens als dier: gedragselementen, gedragsketen,
gedragssysteem.
Type gedrag > gedragsysteem > gedragselementen > gedragsketen.
6. Je kan een aantal functies noemen van gedrag. Dit gaat verder
dan hetgeen beschreven staat op blz. 12.
7. Je kan uitleggen hoe het dierwelzijn in Nederland is gewaarborgd.
De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit controleert veetransporten,
verzamelcentra en slachterijen. De Landelijke Inspectiedienst
Dierenbescherming let op het dierenwelzijn. Ze kijken naar het gewicht,
gedrag, huisvesting en verzorging van dieren.
1.2
8. Je kent het verschil tussen objectieve en subjectieve metingen.
Objectieve meting: zonder oordeel vooraf.
Subjectieve meting: met oordeel vooraf.
9. Je weet wat een antropomorfisme is en kan deze in teksten
herkennen.
Antropomorfisme: een subjectieve omschrijving dat gebaseerd is op
menselijke emoties.
10. Je kan gedrag objectief beschrijven.
Je bekijkt welke prikkels het dier ontvangt [input] en welk gedrag hij hierbij
vertoont [output].
11. Je kan beschrijven wat een etholoog doet en hoe hij dit doet.
Een etholoog doet onderzoek naar dierengedrag. Uit tellingen en metingen
verzamelt de etholoog gegevens om hun onderzoeksvraag te
beantwoorden.
, 12. Je kan gedragsonderzoek bedenken en uitvoeren (practicum 1A en
1B).
13. Je kan een overzichtelijk ethogram en protocol maken(practicum
1A en 1B).
14. De gegevens uit het protocol kan je verwerken in tabellen en
grafieken(practicum 1A of 1B).
15. Je kent het verschil tussen beschrijvend onderzoek en
experimenteel onderzoek.
Bij een beschrijvend onderzoek beperkt de onderzoeker zich tot
observeren, tellen en meten. Hij verandert helemaal niets aan de
omstandigheden. Bij een experimenteel onderzoek verandert de
onderzoeker zelf de omstandigheden.
16. Je kan uitleggen wat sleutelprikkel/supernormale
prikkel/gevoelige periode/inprenting is en kan hier voorbeelden bij
noemen.
Supernormale prikkel: een versterkte sleutelprikkel [donkere vlek op
snavel]
Sleutelprikkel: een dergelijke essentiële prikkel, waarop altijd hetzelfde
gedrag op volgt [rode vlek op snavel].
Gevoelige periode: een korte periode waarbij [de meeste] pasgeboren
zoogdieren hun moeder leren kennen.
Inprenting: dergelijke vorm van leren in een gevoelige periode [olifant leert
moeder kennen via reukzintuig]
17. Je kan uitleggen wat de functie is van
sleutelprikkels/supernormale prikkels/gevoelige
periode/inprenting.
Supernormale prikkel: de drempelwaarde wordt zo eerder behaald.
Sleutelprikkel: een dergelijke essentiële prikkel.
Gevoelige periode: jong en moeder leren elkaar kennen.
Imprenting: een dergelijke vorm waarbij jong en moeder elkaar leren
kennen.
18. Je kan uitleggen hoe associatief leren in zijn werk gaat.
Associatief leren is een bepaalde prikkel dat wordt gekoppeld aan een
andere prikkel.
1.3
19. Je kan het begrip “signalen” uitleggen en je kan enkele
voorbeelden noemen bij mens en dier.
Een taal dat uit prikkels bestaat waarmee dieren [en mensen] het gedrag
van soortgenoten willen beïnvloeden.
20. Je kan uitleggen hoe de bijendans werkt.
De dans geeft de richting en de afstand aan die honingbijen moeten
vliegen naar een voedselbron.
21. Je kan het begrip “rituelen” uitleggen en je kan enkele
voorbeelden noemen bij mens en dier.
Gedrag met een symbolische betekenis voor de soortgenoten.
Mens: elkaar begroeten en daarna een knuffel geven.
Dier: baltsgedrag.
22. Je kan uitleggen wat de functie zijn van ritueel gedrag en daarbij
voorbeelden noemen.
1. Je kan uitleggen wat gedrag is.
Alles wat dieren of mensen doen of laten.
2. Je kan uitleggen wat het nut is van gedragsonderzoek en een paar
voorbeelden hierbij noemen.
Om zo te onderzoeken of dierlijk gedrag te vergelijken is met menselijk
gedrag. Zo kunnen mensen de omgang met dieren verbeteren en hun
welzijn te verbeteren.
3. “Onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat gedrag is aangepast aan
de leefomstandigheden”, je kan deze zin uitleggen.
Het gedrag pas je aan de leefomstandigheden. Dieren op het land hebben
andere overlevingstechnieken dan dieren op het water. Die
overlevingstechnieken hoort bij het gedrag.
4. Je kan de begrippen inwendige prikkel, uitwendige prikkel,
motiverende factoren, respons, motivatie en drempelwaarde
toepassen in een grafiek zoals in bron 1 op blz. 12. Je
kan voorbeelden noemen bij deze begrippen en de definitie geven.
Inwendige prikkel: prikkels die van binnenuit komen.
Uitwendige prikkel: prikkels die van buitenaf komen.
Motiverende factoren: combinatie van inwendige- en uitwendige prikkels.
Motivatie: de bereidheid om een gedrag uit te voeren.
Drempelwaarde: hoogte van de motivatie door een of meer prikkels.
Respons: gedrag dat wordt vertoond nadat de drempelwaarde is
overschreden.
5. Je weet hoe gedrag is opgebouwd en kan de volgende facetten
van gedrag herkennen en hiervan voorbeelden noemen, zowel bij
mens als dier: gedragselementen, gedragsketen,
gedragssysteem.
Type gedrag > gedragsysteem > gedragselementen > gedragsketen.
6. Je kan een aantal functies noemen van gedrag. Dit gaat verder
dan hetgeen beschreven staat op blz. 12.
7. Je kan uitleggen hoe het dierwelzijn in Nederland is gewaarborgd.
De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit controleert veetransporten,
verzamelcentra en slachterijen. De Landelijke Inspectiedienst
Dierenbescherming let op het dierenwelzijn. Ze kijken naar het gewicht,
gedrag, huisvesting en verzorging van dieren.
1.2
8. Je kent het verschil tussen objectieve en subjectieve metingen.
Objectieve meting: zonder oordeel vooraf.
Subjectieve meting: met oordeel vooraf.
9. Je weet wat een antropomorfisme is en kan deze in teksten
herkennen.
Antropomorfisme: een subjectieve omschrijving dat gebaseerd is op
menselijke emoties.
10. Je kan gedrag objectief beschrijven.
Je bekijkt welke prikkels het dier ontvangt [input] en welk gedrag hij hierbij
vertoont [output].
11. Je kan beschrijven wat een etholoog doet en hoe hij dit doet.
Een etholoog doet onderzoek naar dierengedrag. Uit tellingen en metingen
verzamelt de etholoog gegevens om hun onderzoeksvraag te
beantwoorden.
, 12. Je kan gedragsonderzoek bedenken en uitvoeren (practicum 1A en
1B).
13. Je kan een overzichtelijk ethogram en protocol maken(practicum
1A en 1B).
14. De gegevens uit het protocol kan je verwerken in tabellen en
grafieken(practicum 1A of 1B).
15. Je kent het verschil tussen beschrijvend onderzoek en
experimenteel onderzoek.
Bij een beschrijvend onderzoek beperkt de onderzoeker zich tot
observeren, tellen en meten. Hij verandert helemaal niets aan de
omstandigheden. Bij een experimenteel onderzoek verandert de
onderzoeker zelf de omstandigheden.
16. Je kan uitleggen wat sleutelprikkel/supernormale
prikkel/gevoelige periode/inprenting is en kan hier voorbeelden bij
noemen.
Supernormale prikkel: een versterkte sleutelprikkel [donkere vlek op
snavel]
Sleutelprikkel: een dergelijke essentiële prikkel, waarop altijd hetzelfde
gedrag op volgt [rode vlek op snavel].
Gevoelige periode: een korte periode waarbij [de meeste] pasgeboren
zoogdieren hun moeder leren kennen.
Inprenting: dergelijke vorm van leren in een gevoelige periode [olifant leert
moeder kennen via reukzintuig]
17. Je kan uitleggen wat de functie is van
sleutelprikkels/supernormale prikkels/gevoelige
periode/inprenting.
Supernormale prikkel: de drempelwaarde wordt zo eerder behaald.
Sleutelprikkel: een dergelijke essentiële prikkel.
Gevoelige periode: jong en moeder leren elkaar kennen.
Imprenting: een dergelijke vorm waarbij jong en moeder elkaar leren
kennen.
18. Je kan uitleggen hoe associatief leren in zijn werk gaat.
Associatief leren is een bepaalde prikkel dat wordt gekoppeld aan een
andere prikkel.
1.3
19. Je kan het begrip “signalen” uitleggen en je kan enkele
voorbeelden noemen bij mens en dier.
Een taal dat uit prikkels bestaat waarmee dieren [en mensen] het gedrag
van soortgenoten willen beïnvloeden.
20. Je kan uitleggen hoe de bijendans werkt.
De dans geeft de richting en de afstand aan die honingbijen moeten
vliegen naar een voedselbron.
21. Je kan het begrip “rituelen” uitleggen en je kan enkele
voorbeelden noemen bij mens en dier.
Gedrag met een symbolische betekenis voor de soortgenoten.
Mens: elkaar begroeten en daarna een knuffel geven.
Dier: baltsgedrag.
22. Je kan uitleggen wat de functie zijn van ritueel gedrag en daarbij
voorbeelden noemen.