5V Biologie leerdoelen H10 Voeding en vertering
10.1
1. Je kan aan geven welke rol de darmflora speelt in de vertering van voedsel.
Stimuleert de ontlasting en speelt een rol bij de afweer. Het is belangrijk voor een goede
vertering.
2. Je kan uitleggen hoe probiotica de gezondheid bevorderen.
Probiotica zijn nuttige bacteriën.
3. Je kan uitleggen waarom het van belang is dat je voedingsmiddelen met prebiotica eet.
Nuttige bacteriën leven van prebiotica . Deze nuttige bacteriën zorgen voor een goede
vertering.
4. Je kan met voorbeelden aangeven waarvoor de 6 verschillende voedingsstoffen
belangrijk zijn op proces- en celniveau.
Koolhydraten: dienen als brandstof en bouwstof. Als bouwstof als onderdeel van
receptoreiwitten.
Vetten: brandstof en bouwstof. Als bouwstof voor membranen en hormonen en dienen
als warmte-isolatie.
Eiwitten: bouwstof. Spiereiwitten, hemoglobine, antistoffen. Ook als brandstof.
Water: bouwstof voor je cellen. Transportmiddel (bloedplasma) en warmtebuffer.
Mineralen: bouwstof. Spelen een rol bij verschillende processen in het lichaam.
Vitaminen: beschermende stof. Essentiële voedingsstof. Bij tekort ontstaan
gebreksziekten.
5. Je kan uitleggen welke rol voedingsvezels spelen in de darmperistaltiek.
Voedingsvezels stimuleren de darmperistaltiek en leveren daarmee een goede
doorstroming.
6. Je kan aangeven hoe erfelijkheid een oorzaak is voor obesitas.
Het DNA beïnvloedt de omvang van de mens enorm. Er zijn allelen gevonden die het
eetpatroon beïnvloeden. De eiwitten waarvoor deze allelen coderen, leggen
verbindingen tussen zenuwcellen in de hersenen, betrokken bij het hongergevoel.
7. Je kan uitleggen waarom het vaststellen van de ADI noodzakelijk is. Waarom moet je
toch uitkijken met het gebruik van voedingsmiddelen met additieven? (Zie Binas 95).
Om te voorkomen dat je schade oploopt door inname van teveel additieven.
8. Je kan uitleggen hoe door toegenomen hygiëne voedselallergieën vaker voorkomen.
Er zijn minder bacteriën in de voedselmiddel aanwezig die stoffen kunnen afbreken.
10.2
9. Je kan uitleggen waarom mechanische verkleining door de kiezen de vertering van
voedsel makkelijker verloopt.
Zo wordt de oppervlaktegraad vergroot en kunnen enzymen beter bij de
voedingsstoffen.
10. Je kan uitleggen hoe voeding door je verteringsstelsel beweegt.
Doormiddel van peristaltische bewegingen. Daarbij trekken lengtespieren voor de
voedselbrok samen.
, 11. Je kan uitleggen welke invloed voedingsvezels hebben op je verteringsstelsel en hoe dit
proces in zijn werk gaat.
Voedingsvezels nemen water op als een spons. Hierdoor wordt de ontlasting dikker.
Voedingsvezels stimuleren de darmperistaltiek en leveren zo een goede doorstroming.
12. Je kan uitleggen hoe ziekteverwekkers in je voeding onschadelijk worden gemaakt.
In de mond zitten eiwitten met een mondbacterie- en schimmeldodende werking. In de
maag zorgt zoutzuur voor het doden van bacteriën.
13. Je kan uitleggen hoe de anatomie van de darm zorgt voor de optimale resorptie van
voedingsstoffen. (Zie Binas 82C)
De darm bevat darmplooien. Deze plooien bevatten villi (darmvlokken). De
dekweefselcellen van de darmwand hebben aan de buitenkant membraanuitstulpingen,
de microvilli. Door al deze uitstulpingen wordt het oppervlakte vergroot waardoor er
meerdere stoffen tegelijk kunnen worden uitgewisseld.
14. Je kan de rol van de spijsverteringsorganen in het verteren van voedsel uitleggen.
Mond: mechanische verkleining dmv kauwen. Via speekselklieren komt amylase bij het
voedsel. Amylase begint met het verteren van zetmeel.
Maag: activeert de pro-enzym pepsinogeen dmv zoutzuur. Hieruit ontstaat peptase dat
eiwitten afbreekt tot polypeptiden. Ook zorgt zoutzuur ervoor dat eiwitten opzwellen en
kunnen enzymen er beter bij.
Twaalfvingerige darm: alvleessap verhoogd de pH waarde tot ongeveer 8. Het alvleessap
bevat amylase, tryptase en lipase. Deze enzymen breken koolhydraten, eiwitten of
vetten af. Gal zorgt ervoor dat de oppervlaktegraad van de vetdruppels wordt vergroot.
Dunne darm: darmsapklieren met veel enzymtypen maken de vertering af. Die enzymen
verteren koolhydraten, polypeptiden, DNA, RNA of vetten.
15. Je kan de rol van de bacteriën in de dikke darm toelichten.
Ze versterken het immuumsysteem en helpen met het opnemen van stoffen.
10.3
16. Leg het nut/de werking van enzymen uit.
Ze verlagen de activeringsenergie.
17. Je kan uitleggen hoe enzymen een reactie kunnen versnellen.
Ze binden aan het substraat, waardoor atoombindingen makkelijker verbreken.
18. Je kan voorbeelden geven van hydrolyse door enzymen.
Splitsing mbh water heet hydrolyse.
19. Je kan uitleggen waarom je na een paar dagen flinke koorts dagen/weken nodig hebt
om weer helemaal fit te worden.
Sommige enzymen hebben een hogere optimumtemperatuur waardoor ze beter werken
bij een hogere temperatuur. Deze enzymen zorgen voor reacties die ervoor zorgen dat je
beter wordt.
20. Enzymwerking wordt beïnvloed door o.a. pH en temperatuur. Je kan uitleggen
waarom dat zo is.
Enzymen hebben een miminum-, optimum- en een maximumtemperatuur. De
ruimtelijke structuur verandert door de temperatuur, respectievelijk door de
aanhechting van waterstofionen.
10.1
1. Je kan aan geven welke rol de darmflora speelt in de vertering van voedsel.
Stimuleert de ontlasting en speelt een rol bij de afweer. Het is belangrijk voor een goede
vertering.
2. Je kan uitleggen hoe probiotica de gezondheid bevorderen.
Probiotica zijn nuttige bacteriën.
3. Je kan uitleggen waarom het van belang is dat je voedingsmiddelen met prebiotica eet.
Nuttige bacteriën leven van prebiotica . Deze nuttige bacteriën zorgen voor een goede
vertering.
4. Je kan met voorbeelden aangeven waarvoor de 6 verschillende voedingsstoffen
belangrijk zijn op proces- en celniveau.
Koolhydraten: dienen als brandstof en bouwstof. Als bouwstof als onderdeel van
receptoreiwitten.
Vetten: brandstof en bouwstof. Als bouwstof voor membranen en hormonen en dienen
als warmte-isolatie.
Eiwitten: bouwstof. Spiereiwitten, hemoglobine, antistoffen. Ook als brandstof.
Water: bouwstof voor je cellen. Transportmiddel (bloedplasma) en warmtebuffer.
Mineralen: bouwstof. Spelen een rol bij verschillende processen in het lichaam.
Vitaminen: beschermende stof. Essentiële voedingsstof. Bij tekort ontstaan
gebreksziekten.
5. Je kan uitleggen welke rol voedingsvezels spelen in de darmperistaltiek.
Voedingsvezels stimuleren de darmperistaltiek en leveren daarmee een goede
doorstroming.
6. Je kan aangeven hoe erfelijkheid een oorzaak is voor obesitas.
Het DNA beïnvloedt de omvang van de mens enorm. Er zijn allelen gevonden die het
eetpatroon beïnvloeden. De eiwitten waarvoor deze allelen coderen, leggen
verbindingen tussen zenuwcellen in de hersenen, betrokken bij het hongergevoel.
7. Je kan uitleggen waarom het vaststellen van de ADI noodzakelijk is. Waarom moet je
toch uitkijken met het gebruik van voedingsmiddelen met additieven? (Zie Binas 95).
Om te voorkomen dat je schade oploopt door inname van teveel additieven.
8. Je kan uitleggen hoe door toegenomen hygiëne voedselallergieën vaker voorkomen.
Er zijn minder bacteriën in de voedselmiddel aanwezig die stoffen kunnen afbreken.
10.2
9. Je kan uitleggen waarom mechanische verkleining door de kiezen de vertering van
voedsel makkelijker verloopt.
Zo wordt de oppervlaktegraad vergroot en kunnen enzymen beter bij de
voedingsstoffen.
10. Je kan uitleggen hoe voeding door je verteringsstelsel beweegt.
Doormiddel van peristaltische bewegingen. Daarbij trekken lengtespieren voor de
voedselbrok samen.
, 11. Je kan uitleggen welke invloed voedingsvezels hebben op je verteringsstelsel en hoe dit
proces in zijn werk gaat.
Voedingsvezels nemen water op als een spons. Hierdoor wordt de ontlasting dikker.
Voedingsvezels stimuleren de darmperistaltiek en leveren zo een goede doorstroming.
12. Je kan uitleggen hoe ziekteverwekkers in je voeding onschadelijk worden gemaakt.
In de mond zitten eiwitten met een mondbacterie- en schimmeldodende werking. In de
maag zorgt zoutzuur voor het doden van bacteriën.
13. Je kan uitleggen hoe de anatomie van de darm zorgt voor de optimale resorptie van
voedingsstoffen. (Zie Binas 82C)
De darm bevat darmplooien. Deze plooien bevatten villi (darmvlokken). De
dekweefselcellen van de darmwand hebben aan de buitenkant membraanuitstulpingen,
de microvilli. Door al deze uitstulpingen wordt het oppervlakte vergroot waardoor er
meerdere stoffen tegelijk kunnen worden uitgewisseld.
14. Je kan de rol van de spijsverteringsorganen in het verteren van voedsel uitleggen.
Mond: mechanische verkleining dmv kauwen. Via speekselklieren komt amylase bij het
voedsel. Amylase begint met het verteren van zetmeel.
Maag: activeert de pro-enzym pepsinogeen dmv zoutzuur. Hieruit ontstaat peptase dat
eiwitten afbreekt tot polypeptiden. Ook zorgt zoutzuur ervoor dat eiwitten opzwellen en
kunnen enzymen er beter bij.
Twaalfvingerige darm: alvleessap verhoogd de pH waarde tot ongeveer 8. Het alvleessap
bevat amylase, tryptase en lipase. Deze enzymen breken koolhydraten, eiwitten of
vetten af. Gal zorgt ervoor dat de oppervlaktegraad van de vetdruppels wordt vergroot.
Dunne darm: darmsapklieren met veel enzymtypen maken de vertering af. Die enzymen
verteren koolhydraten, polypeptiden, DNA, RNA of vetten.
15. Je kan de rol van de bacteriën in de dikke darm toelichten.
Ze versterken het immuumsysteem en helpen met het opnemen van stoffen.
10.3
16. Leg het nut/de werking van enzymen uit.
Ze verlagen de activeringsenergie.
17. Je kan uitleggen hoe enzymen een reactie kunnen versnellen.
Ze binden aan het substraat, waardoor atoombindingen makkelijker verbreken.
18. Je kan voorbeelden geven van hydrolyse door enzymen.
Splitsing mbh water heet hydrolyse.
19. Je kan uitleggen waarom je na een paar dagen flinke koorts dagen/weken nodig hebt
om weer helemaal fit te worden.
Sommige enzymen hebben een hogere optimumtemperatuur waardoor ze beter werken
bij een hogere temperatuur. Deze enzymen zorgen voor reacties die ervoor zorgen dat je
beter wordt.
20. Enzymwerking wordt beïnvloed door o.a. pH en temperatuur. Je kan uitleggen
waarom dat zo is.
Enzymen hebben een miminum-, optimum- en een maximumtemperatuur. De
ruimtelijke structuur verandert door de temperatuur, respectievelijk door de
aanhechting van waterstofionen.