Behaviorisme
in de leertheorie gelden twee heel envoudige principes: straffen en belonen zijn
heel goede middelen om gedrag te veranderen maar alleen:
1. Als het plaatsvindt zo snel mogelijk na het gewenste of het ongewenste
gedrag
2. Als het direct gekoppeld wordt aan dit gedrag
Ook voor werknemers geldt dat belonen en corrigeren het meest effect heeft
wanneer het direct gekoppeld wordt aan het gewenste of ongewenste gedrag. Een
goede leidinggevende praat het hele jaar door met zijn medewerkers.
Het behaviorisme zet het gedrag centraal. Dit is een radicale breuk met waar de
psychologie volgens velen toch eigenlijk over zou moeten gaan: het bewustzijn, de
menselijke geest, de ziel. Daar willen de behavioristen van af, zij willen een
psychologie zonder geest, zonder bewustzijn, zonder ziel, want die zorgen alleen
maar voor problemen.
De meest radicale oplossing voor het lichaam-ziel probleem is het afschaffen van de
ziel. Dit is precies waar de klassiek behavioristen voor kozen. Stichter van deze
stroming was John Broadus Watson (1878 – 1958).
Hoofdstelling in zijn boek is dat de psychologie zich louter bezig moet houden met
waarneembare zaken. Het onderwerp is niet het bewustzijn maar het concreet
waarneembare gedrag. Watson ontkent het bestaan van het bewustzijn zelfs.
De psychologie gaat over stimulus en respons. Een bepaalde stimulus, de bel, is
gekoppeld aan een bepaalde instinctieve respons, het kwijlen (voorbeeld van de
hond over eten krijgen en een bel).
Omdat gedrag dus of instinctief of aangeleerd was, was de mens in hoge mate te
vormen.
De opvolger van Watson was Burrhus Frederic Skinner (1904 – 1990). Ook bij hem is
gedrag grotendeels aangeleerd. Belangrijke leermethode is het operant
conditioneren.
Soms wel en soms niet belonen van het juiste gedrag blijkt effectiever. Casino:
wanneer je na iedere gok zou winnen wordt het gokgedrag snel minder.
Hoewel de basis van het behaviorisme dus ligt bij laboratoriumexperimenten met
honden, duiven en ratten, zijn er wel degelijk toepassingen in de organisatiekunde.
Voorbeeld is de Organisational Behavior Modification. Hierbij worden de principes
van operant conditioneren toegepast in organisatie- en vooral
gedragsverandertrajecten.
, In essentie komt het erop neer dat allereerst gedrag dat essentieel is voor een
effectieve uitvoering van werk wordt geïdentificeerd; vervolgens worden
reinforcement principes gehanteerd om dit gedrag te versterken. Voorbeeld van
zo’n OB MOD traject ‘oordoppen’ zie blz 33.
Dit soort programma’s blijken in een veelheid van situaties effectief te zijn.
Desondanks is het gebruik ervan, zeker in Nederland, beperkt. Conditioneren, het
door feedback en positieve of negatieve reinforcement versterken van gewenst
gedrag of afzwakken van ongewenst gedrag, lijkt naar onze opvattingen
waarschijnlijk te veel op manipulatie.
Het accent leggen op concreet, waarneembaar gedrag is een belangrijk resultaat
van de ideeën van Watson en Skinner. Ongeacht of wij nu vinden dat de mens een
bewustzijn heeft of niet.
Wij hebben bij conditionering en een mens zonder bewustzijn nu mogelijk een
negatieve associatie, maar destijds golden de behavioristische principes als uiterst
modern en democratisch. Door conditionering, door het feit dat alle gedrag aan of
af te leren was, kon je immers een wereld vol gelijkheid bereiken.
Door conditionering valt volgens de behavioristen van ieder mens een goed mens te
maken.
Freud en de Psychoanalyse
In het behaviorisme staat het gedrag van mensen centraal, gedrag is daar het
aanknopingspunt voor veranderingen. Door ervaring op te doen en door beloning en
straf wordt gedrag aangeleerd en afgeleerd. Zo dus ook gedrag in organisaties.
Andere ideeën zijn dat het gedrag bepaald wordt door de top, door de leiders, en
dan met name de psychologie van de leiders. De neurosen van de leiding worden
gereflecteerd in de neurosen van de organisatie. Deze laatste beschrijving van wat
bepalend is in organisaties is van Manfred Kets de Vries en Danny Miller (1984) en is
sterk beïnvloed door de ideeën van Sigmund Freud.
Aan de basis van de theorie van Freud ligt een onderscheid tussen het bewuste en
het onbewuste deel van de menselijke geest. Het grootste deel van de oorzaken van
ons gedrag is instinctief en onbewust.
Die geest bestaat volgens hem uit drie elementen:
Het id: de aangeboren kern van onze persoonlijkheid. Het bevat de
energiebron, het libido, waaruit ons gedrag voortkomt. Seks en agressie zijn
de allesbepalende instincten binnen het id. deze instincten zoeken
voortdurende bevrediging. Er wordt hierin geen onderscheid gemaakt tussen
realiteit en fantasie.
Het ego: dit kanaliseert de id-impulsen. Het ego werkt volgens het
realiteitsprincipe. De id-instincten worden door het ego gestuurd, zodanig dat
ze op een realistische en sociaal acceptabele manier worden geuit.