Hoofdstuk 3
Frans
Conditionnel:
Onregelmatig Regelmatig --> ww op ir, re
en er
Être (zijn) = ser + uitgang Je Hele ww +
ais
avoir (hebben) = aur + Tu Hele ww +
uitgang ais
Faire (doen, maken) = fer + Il/elle/on Hele ww +
uitgang ait
Aller (gaan) = ir + uitgang Nous Hele ww +
ions
Vouloi (willen) = voudr + vous Hele ww +
r uitgang iez
Pouvo (kunnen) = pourr + Ils/elles Hele ww +
ir uitgang aient
venir (komen) = viendr +
uitgang
voir (zien) = verr + uitgang
Let op: Als het regelmatige werkwoord eindigt op E (vendre), dan haal je
de E weg
Je vendrais
Vraagzinnen:
--- Zonder vraagwoord ---
1) Je zet een vraagteken achter de zin.
Voorbeeld:
Tu vas à Paris. --> je gaat naar parijs.
Tu vas à Paris? --> ga je naar parijs?
2) Est-ce que / qu’ voor de zin zetten.
Voorbeeld:
Tu vas à Paris. --> je gaat naar parijs.
Est-ce que tu vas à Paris? --> ga je naar parijs?
Let op: Est-ce qu’il va à Paris? --> (e valt weg door klinker
botsing)
3) Inversie: je draait de pv en het onderwerp om.
Voorbeeld:
Vas-tu à Paris
(dit kan alleen als je onderwerp een persoonlijk
voornaamwoord is)
Let op: Va-t-il à Paris? (bij klinkerbotsing voeg je -t- toe)
--- met vraagwoord ---
1) Qui --> wie
2) Où --> waar
3) Comment --> hoe
4) Quand --> wanneer
Frans
Conditionnel:
Onregelmatig Regelmatig --> ww op ir, re
en er
Être (zijn) = ser + uitgang Je Hele ww +
ais
avoir (hebben) = aur + Tu Hele ww +
uitgang ais
Faire (doen, maken) = fer + Il/elle/on Hele ww +
uitgang ait
Aller (gaan) = ir + uitgang Nous Hele ww +
ions
Vouloi (willen) = voudr + vous Hele ww +
r uitgang iez
Pouvo (kunnen) = pourr + Ils/elles Hele ww +
ir uitgang aient
venir (komen) = viendr +
uitgang
voir (zien) = verr + uitgang
Let op: Als het regelmatige werkwoord eindigt op E (vendre), dan haal je
de E weg
Je vendrais
Vraagzinnen:
--- Zonder vraagwoord ---
1) Je zet een vraagteken achter de zin.
Voorbeeld:
Tu vas à Paris. --> je gaat naar parijs.
Tu vas à Paris? --> ga je naar parijs?
2) Est-ce que / qu’ voor de zin zetten.
Voorbeeld:
Tu vas à Paris. --> je gaat naar parijs.
Est-ce que tu vas à Paris? --> ga je naar parijs?
Let op: Est-ce qu’il va à Paris? --> (e valt weg door klinker
botsing)
3) Inversie: je draait de pv en het onderwerp om.
Voorbeeld:
Vas-tu à Paris
(dit kan alleen als je onderwerp een persoonlijk
voornaamwoord is)
Let op: Va-t-il à Paris? (bij klinkerbotsing voeg je -t- toe)
--- met vraagwoord ---
1) Qui --> wie
2) Où --> waar
3) Comment --> hoe
4) Quand --> wanneer