eigen identiteit en het model van de ego posities vanuit de theorie
van de Transactionele Analyse te beschrijven.
De student kent de definities van identiteit en identiteitsontwikkeling en kan
deze toelichten en toepassen op een casus.
Identiteit: datgene wat voor een mens kenmerkend is, dat wat die bijzondere mens uniek maakt.
alle mensen zijn mensen en daarin overeenkomstig. Alle mensen zijn verschillend; ieder mens
heeft een eigen identiteit. Onze identiteit is de fysieke, psychische en spirituele vingerafdruk van
onze persoonlijkheid. De formele omschrijving van identiteit is: datgene wat in de mens
kenmerkend is, in wisselende tijd en omstandigheden.
Identiteitsontwikkeling: op basis van een goede relatie met jezelf veranderen en ontwikkelen
en toch steeds dezelfde blijven. Op het moment dat jij een ontwikkeling doormaakt heb je kernen
die van jezelf zijn, zonder dat je in een bepaalde positie schuift. Je bent bezig verschillende posities
te integreren tot een gezonde volwassen. De gehele ontwikkeling die je doormaakt is je
identiteitsontwikkeling die uiteindelijk leidt tot je identiteit..
De student kent de definities van de vijf ego posities uit de Transactionele
Analyse en kan deze toelichten en toepassen op zichzelf en op een casus.
Ego positie: een ego positie kan omschreven worden als een samenhangend systeem van denken,
voelen en handelen. We hebben drie verschillende ego posities tot onze beschikking: ouder,
volwassene en kind. Steeds zullen we ons door een van deze drie ego posities manifesteren. Ego
posities zijn sociale realiteiten, dat wil zeggen: ze zijn altijd waarneembaar in het sociale verkeer.
, Leerdoel B:De student herkent zijn communicatiestijl(en) uit de
theorie van de Transactionele Analyse en weet tot welk effect dit
leidt bij anderen.
De student beschrijft welke ego positie in zijn communicatiestijl toonaangevend
is en welke hij geneigd is minder in te zetten.
Ik denk dat ik vaak reageer vanuit de ego positie van een volwassene. Deze ego positie zie je bij
mij vaak op school en op het werk. Problemen worden ook op een juiste en volwassene manier
opgelost. Ik zet de kritische ouder minder in. Ik vind het best lastig om soms een streep te trekken
en streng te zijn.
De student kent de verschillende types van transactie (interactie met anderen),
kan deze toelichten en toepassen op een casus.
Transacties vormen de brug tussen het interpersoonlijke (buitenkant) en het intrapsychische
(binnenkant), de transacties spelen zich bij uitstek af in het sociale domein en zijn tegelijk een
weerspiegeling van de interne wereld van de deelnemers aan een trasactie. In een reeks
transacties worden meestal de voorkeurs ego toestanden van elk van de betrokkene bij de
communicatie duidelijk. Ook het referentiekader, de kijk die je hebt op jezelf, anderen en de
wereld, schemert door in transacties. Een transactie is een klein stukje interactie (prikkel en
respons). In TA worden deze transacties bekeken vanuit de egoposities (ouder, volwassene, kind).
Het sociale niveau is de inhoud (wat je letterlijk zegt) en het psychologisch niveau is de betrekking
(wat je eigenlijk bedoelt).
Complementaire transactie:
Een complementaire transactie is de simpelste transactie waarbij
de respons uit de ego-toestand komt die door de stimulus werd
aangesproken. De pijlen van de transactie lopen parallel.
Gekruiste transactie:
Bij een kruistransactie reageert iemand niet vanuit de aangesproken
ego-toestand en richt zich daarbij vaak ook niet op de ego-toestand waar de
stimulus vandaan kwam. De pijlen van de transactie kruisen elkaar.
Transactie met bijbedoelingen:
In de meeste boodschappen is er sprake van een boodschap op tegelijkertijd het sociale en het
psychologische niveau. Is dit niet het geval, dan kunnen er problemen ontstaan.
Leerdoel C:De student herkent de patronen van zijn persoonlijke
ontwikkeling (levensscript) en krijgt daardoor inzicht in de
werkrelatie met de ander.
De student kent de definitie van het begrip levensscript van de Transactionele
Analyse, kan deze toelichten en toepassen op zichzelf.
Levensscript:Een script is een persoonlijk levensplan waartoe een individu op jonge
leeftijdbesluit als reactie op interne en externe ervaringen’.
In deze omschrijving zitten elementen die de moeite van nadere beschouwing waard zijn. Allereerst
het begrip levensplan. Verondersteld wordt dat mensen een plan maken voor hun leven. Vaak zijn
we ons dit plan niet meer bewust, maar we hebben het wel degelijk. Vervolgens het begrip
besluit. Mensen besluiten tot een plan. Ze nemen besluiten over de manier waarop ze hun leven
zullen inrichten. Ze nemen besluiten over verloop en afloop van hun leven daarmee is niet gezegd
dat de mens daar de absolute macht over heeft, maar wel dat het besluit een belangrijke
bepalende factor is. Het derde element betreft het begrip jonge leeftijd. Het blijkt dat kinderen al
vanaf het eerste begin hun levenslessen leren over het al dan niet welkom zijn. Ze leren hoe ze
zich te gedragen hebben om een zo bevredigend mogelijk leven te leiden. Al zeer jong leiden deze
lessen tot besluiten die het kind neemt over de inrichting van zijn leven. Deze besluiten zijn nog
bewust, zeker nog niet geverbaliseerd, maar wel degelijk aanwezig. Ten slotte wordt in de definitie
gesproken van interne en externe ervaringen. Mensen doen ervaringen op vanaf het begin van
hun bestaan. Deze ervaringen zijn voor een groot deel intern, veelal lijfelijk. Daarnaast zijn daar de
ervaringen ten aanzien van de wereld om het kind heen, die het kind beïnvloeden.