Hoofdstuk 1 Opvoedingsondersteuning en pedagogische preventie
De professional die met kinderen, hun ouders en hun opvoedingsvragen te maken krijgt in de
jeugdgezondheidszorg, in het maatschappelijk werk, als groepsleider, als leerkracht of in
welke setting dan ook, zal informatie, voorlichting en ondersteuning moeten geven.
Niemand hoeft een diploma te halen om te kunnen opvoeden. Het opvoeden lukt meestal
wel als je voldoende tijd hebt voor je kind, genoeg aandacht hebt voor je kind, als je oog hebt
voor het eigen karakter van je kind, als je let op de initiatieven van het kind en als je let op de
zwakke punten en die een beetje probeert te compenseren.
Er zijn een aantal ontwikkelingen in de samenleving die het proces van het opvoeden
beïnvloeden, waardoor opvoeden anders is dan vroeger.
- De ouders van de eenentwintigste eeuw kiezen bewuster voor kinderen. Ze hebben
hoge verwachtingen van hun kinderen en zichzelf en voeden meer dan ooit bewust
op. Traditionele waarden en normen voldoen niet meer. Het vertrouwde netwerk van
de familie is grotendeels weggevallen in de geïndividualiseerde samenleving.
- Het traditionele aanbod van de opvoedingsondersteuning en hulpverlening vertoont
lacunes. Er is geen afstemming tussen de vraag van de ouders en het aanbod van de
instellingen. Er is weinig onderlinge samenhang. Ook is het aanbod versnipperd,
waardoor de hulp voor ouders onoverzichtelijk en weinig toegankelijk is. Veertig
procent van de ouders met behoefte aan ondersteuning slaagt er niet in het juiste
aanbod te vinden.
- De hulpverlening signaleert dat een toenemend aantal jeugdigen in de problemen
raakt. Ook voor kinderen en jongeren is de samenleving ingewikkeld en veeleisend.
Het afmaken van een opleiding, het vinden van werk, het omgaan met de
verlokkingen uit onze consumptiemaatschappij vraagt veel van een jongere. Het
gevolg daarvan is een verhoogde kans op marginalisering en criminaliteit. Door
middel van activiteiten op het gebied van opvoedingsondersteuning hoopt de
overheid zwaardere problemen te voorkomen.
Het belangrijkste beleidsdoel van opvoedingsondersteuning is preventie: het voorkomen van
(zwaardere) problemen. Hoewel de ouder in deze beleidsvisie de eerstverantwoordelijke blijft
voor de opvoeding, heeft ook de overheid hierin een taak.
Volgens de Nederlandse Gezinsraad (2004) moeten overheden jeugdbeleid en gezinsbeleid
inzetten om een bijdrage te leveren aan drie maatschappelijke kwesties:
- Het krijgen van kinderen
- Het participeren in de samenleving
- Het opvoeden van een nieuwe generatie
‘Samen opvoeden’ zorgt nogal eens voor een dilemma. De overheid moet aan de ene kant
de opvoeding actief ondersteunen, maar moet er aan de andere kant voor waken dat ouders
eigen keuzes kunnen maken zodat de opvoeding een privéaangelegenheid kan blijven.
Er zijn een aantal verschillen tussen opvoedingsondersteuning en de pedagogische
preventie van voor 1990:
- Bij opvoedingsondersteuning worden de opvoedingsvragen van ouders geplaatst in
een bredere sociale en maatschappelijke context. dat betekent dat er niet altijd
specifieke oorzaken voor opvoedingsproblemen zijn. deze hebben te maken met
allerlei op elkaar inwerkende factoren (opvoeding als een transactioneel proces).
Opvoedingsondersteuning is bovendien activerend in plaats van compenserend.
Ouders worden gestimuleerd in zelfstandigheid en in het vergroten van hun
vaardigheid als opvoeder. De draagkracht van de opvoeder wordt daardoor groter en
de draaglast kleiner.
, - Pedagogische preventie is gebaseerd op het medische model, waarbij juist wel
specifieke oorzaken voor een probleem zijn aan te wijzen. Door dieper te graven
kunnen deze oorzaken gevonden worden. De hulpverlener heeft daarbij een sturende
functie en is meer ingesteld op het bieden van compenserende hulp. Soms worden
bij de term preventie nog de gradaties primair, secundair en tertiair genoemd. Bij
primaire preventie gaat het om het voorkomen van problemen. Secundaire preventie
is gericht op het zo vroeg mogelijk signaleren en onderkennen van (dreigende)
problemen om zo te voorkomen dat er werkelijke problemen ontstaan. Bij tertiaire
preventie gaat het erom de nadelige gevolgen van reeds geconstateerde problemen
tot een minimum te beperken. In de medische wereld en in wetenschappelijke
literatuur worden deze termen nog wel gehanteerd. Pedagogische preventie is dan
preventie – het voorkomen van problemen – bij het opvoeden.
- Opvoedingsondersteuning richt zich hoofdzakelijk op het gedrag van de opvoeder,
terwijl bij pedagogische preventie het verhelpen van problemen van het kind centraal
staat.
In het programma O&O – Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering – wordt de
volgende definitie gebruikt:
Pedagogische preventie is die vorm van preventie die zich richt op het terrein van opvoeding
en ontwikkeling van kinderen.
Dit omvat de volgende normen:
- Opvoedingsondersteuning, ondersteuning van het opvoedingsproces. Voorbeelden
hiervan zijn: voorlichting over opvoeden op het consultatiebureau,
ouderbijeenkomsten op scholen over allerlei opvoedingsthema’s, oudercursussen
over bijvoorbeeld druk gedrag van kinderen en pedagogische adviesgesprekken.
- Ontwikkelingsstimulering, ondersteuning van het ontwikkelingsproces van kinderen
en jongeren. voorbeelden hiervan zijn: het Opstap-programma en
taalstimuleringsprogramma’s.
- Omgevingsfactoren beïnvloeden: interventies ten aanzien van de sociale en
pedagogische omstandigheden in de directe leefomgeving van ouders en kinderen.
Voorbeelden hiervan zijn: het stimuleren van deelname aan koffieochtenden in het
buurthuis, het opzetten van een speelplek in de wijk.
Zie boek blz. 21 figuur 1.
De volgende indeling wordt vaak gebruikt:
- Informatie en voorlichting over ontwikkeling en opvoeding van kinderen en over
voorzieningen in de wijk, door middel van bijvoorbeeld:
o Folders en brochures
o Themabijeenkomsten
o Oudercursussen
- Bevorderen van sociale steun en zelfhulp rondom omgaan met kinderen en
opvoeding, bijvoorbeeld met behulp van:
o Activiteiten van opvoedingswinkels
o Koffiebijeenkomsten in de eigen buurt
o Lotgenotengroepen, bijvoorbeeld voor ouders van kinderen met een handicap
- Vroegtijdige signalering en verwijzing:
o Indien vragen naar geïndiceerde hulp aan de orde zijn
o Indien vragen op een ander terrein blijken te liggen
- Pedagogische advisering, begeleiding en training, bijvoorbeeld door middel van:
o Pedagogisch spreekuur (een tot vijf gesprekken)
o Activiteiten van het opvoedingssteunpunt
o Videohometraining
o Hulp aan huis
, Op het gebied van opvoedingsondersteuning wordt de laatste jaren steeds meer
samengewerkt en afgestemd tussen organisaties, om de verschillende vormen van
opvoedingsondersteuning voor de ouders en kinderen zo goed mogelijk op elkaar te laten
aansluiten. De uitgevoerde vormen moeten passen in het lokale jeugdbeleid in de keten
waarvan de organisatie een onderdeel vormt.
Wetten in het werkveld jeugd zijn:
- Wet collectieve preventie volksgezondheid
- Wet kinderopvang
- Wet werk en bijstand
- Wet maatschappelijke ondersteuning
- Wet op de jeugdzorg
Van de in 2002 herziene wet collectieve preventie volksgezondheid vinden bijvoorbeeld de
controles op consultatiebureaus plaats, voorlichtingscampagnes zoals ‘meer bewegen’ en
inentingsacties tegen rode hond en andere ziektes. Dit zijn allemaal voorzieningen, waar
kinderen en ouders gebruik van (kunnen) maken. De wet omvat drie deelterreinen:
1. Collectieve preventie
2. Infectieziektebestrijding
3. Jeugdgezondheidszorg
De gemeentelijke taken op het gebied van jeugdgezondheidszorg zijn vastgesteld in een
speciaal besluit. Het basistakenpakket omvat een uniform deel en een maatwerkdeel, waarin
de specifieke zorgbehoeften worden nagegaan op grond van lokale, regionale,
demografische en epidemiologische gegevenheden. Het gaat hierbij niet alleen om
lichamelijke kenmerken, maar ook om gedrag van jongeren/kinderen en het sociale milieu
waarin ze opgroeien.
Op 1 januari 2005 is de nieuwe wet kinderopvang van kracht geworden, waarin de kwaliteit
en de financiering van de kinderopvang in Nederland geregeld zijn. Uitgangspunt is dat
kinderopvang een zaak is van ouders, werkgevers en overheid. De wet is bedoeld om zorg
voor kinderen en werk te kunnen combineren. Ouders die in het arbeidsproces participeren,
zijn waardevol voor de economie, maar zorgvoor kinderen, het sociale kapitaal van de
samenleving, is dat ook. Ouders die werken en voor kinderen zorgen, kunnen een
tegemoetkoming krijgen van het rijk. Ouders sluiten zelf een overeenkomst met het
kinderdagverblijf. De rijksoverheid deelt in de kosten voor de kinderopvang. Ouders vragen
de tegemoetkoming aan, de belastingdienst voert de regeling uit en stort de bijdrage in
maandelijkse termijnen op de rekening van de ouder. Werkgever en ouder maken zelf
afspraken over de hoogte van de werkgeversbijdrage. Er wordt maximaal een derde van de
kosten belastingvrij vergoed. Er zijn basiskwaliteitseisen geformuleerd voor
kinderdagverblijven. Dat zijn vooral eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid.
Daarnaast moet een oudercommissie worden ingesteld. De gemeente is verantwoordelijk
voor het toezicht op de kwaliteit, de GGD voert de inspecties uit.
De wet werk en bijstand (WWB) is in 2004 in werking getreden. De wet stelt werk boven
inkomen, laat veel beleidsvrijheid aan de uitvoerende gemeenten en legt de financiële
verantwoordelijkheid bij de gemeenten. De wet is gemaakt om mensen zo veel mogelijk in
staat te stellen te werken en hun eigen inkomen te verdienen. Deze wet heeft te maken met
jeugdbeleid en jeugdzorg. Jongeren die recht hebben op inkomen en ouders die recht
hebben op bijstand, krijgen op grond van deze wet hun inkomen. Het is bekend dat financiële
zorgen een risicofactor vormen bij het opgroeien en opvoeden van kinderen. Alleenstaande
ouders met kinderen, jongeren zonder baan en allochtone ouders vormen een groot deel van
de groep die via deze wet een inkomen verkrijgt.