ECLI ECLI:NL:RBROT:2021:7670
Feiten in deze uitspraak
Middels een verzoekschrift is de rechtszaak bij de rechtbank aangebracht. In deze zaak is de
verzoekster de werkgever Du Pont de Nemours B.V. (hierna: DuPont) en de verweerder is de
werknemer. Werknemer is sinds 1 december 1999 werkzaam in de functie van Batch Prep
Operator bij DuPont, een chemiebedrijf. Werknemer zit in een team van zeven andere
werknemers die dezelfde functie bekleden dat werkt volgens ploegendiensten waar telkens bij
elke dienst één werknemer aanwezig is. Op 16 maart 2021 heeft verweerder zich ziekgemeld
bij werkgever. Twee dagen later heeft verweerder aan zijn direct leidinggevende doorgegeven
dat hij positief getest is op COVID-19. Het geschil tussen de partijen heeft betrekking op de
ziekmelding van verweerder. Eén dag voor zijn ziekmelding, op 15 maart 2021, verscheen
verweerder op het werk met verkoudheidsklachten. DuPont is van mening dat verweerder
hiermee zijn collega’s heeft blootgesteld aan het gevaar om ook besmet te raken met het
coronavirus. Om deze reden verzoekt DuPont ontbinding van de arbeidsovereenkomst met
verweerder op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a jo. artikel 7:669 lid 1 en 3 onder e Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW). Subsidiair verzoekt werkgever de arbeidsovereenkomst te ontbinden
op grond van artikel 7:669 lid 1 en 3 onder g, dan wel i BW. Daarnaast verzoekt werkgever dat
de rechter verklaart dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, waardoor
geen rekening hoeft te worden gehouden met het opzegverbod en geen transitievergoeding
en/of billijke vergoeding hoeft te worden betaald.1 Verweerder is het niet eens met het verzoek
tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en voert primair aan dat het verzoek van
werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden moet worden afgewezen. Subsidiair voert
verweerder aan dat indien de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, werkgever aan hem
een transitievergoeding moet betalen van € 28.200,- bruto, de wettelijke opzegtermijn in acht
moet nemen en aan hem een billijke vergoeding moet betalen van € 200.000,-.2
Rechtsvragen
De eerste rechtsvraag die hieruit voortvloeit luidt: “Is in casu sprake van verwijtbaar handelen
of nalaten van de werknemer, zoals bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW?”. Tevens volgt de
vraag: “Is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g
BW?”. Daarnaast is het de vraag of geen rekening hoeft te worden gehouden met het
opzegverbod en geen verplichting is aan de zijde van de werkgever om een
transitievergoeding en/of billijke vergoeding aan verweerder te betalen.
Oordeel rechtbank en motivatie
Collega’s van verweerder hebben verklaard dat hij op 15 maart 2021 aan het werk was met
verkoudheidsklachten. Verweerder was op die dag stevig aan het hoesten en de collega’s
hebben verweerder geadviseerd om naar huis te gaan. Dit was immers ook de regel volgens
het protocol van DuPont. De rechtbank gaat niet mee in het verweer van verweerder dat hij
deze verkoudheidsklachten vaker had vanwege zijn bronchitis. Volgens de verklaringen van
zijn collega’s hoestte hij die dag een stuk ernstiger dan gewoonlijk. Echter, volgens de rechter
is geen sprake van verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werknemer. Het gaan
werken met verkoudheidsklachten is onverantwoord, maar niet voldoende ernstig om te
oordelen dat verweerder verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. Bij dit oordeel weegt mee
dat verweerder zich de volgende dag heeft ziekgemeld en zich heeft laten testen op corona bij
1
Rb. Rotterdam, 6 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7670, r.o. 3.1.
2
Rb. Rotterdam, 6 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7670, r.o. 3.2.