Extra stof + oefentoets psychologie deeltoetsen
Deeltoets 1:
Vraag 1: welk concept verstaan we onder “we stellen mensen in een gecontroleerde omgeving
bloot aan hun angsten. dus zonder dat er iets naars gebeurd de angst blootstellen”
a. Counterconditioning
b. Respondent conditioning
c. Respondent extinction
Vraag 2: wat is een negative reinforcer?
a. Het weghalen van iets positiefs (koekje afpakken)
b. Het verbaal laten weten aan het kind dat hij/zij iets verkeerd doet
c. belonen
d. Het toedienen van iets negatiefs (slaan)
Vraag 3: wat is dishabituation?
a. Het niet meer reageren op stimuli omdat deze niet veranderen en dus normaal worden
b. Het terugkrijgen van een originele respons na habituation
c. Een toename van reactie op een stimulus
d. Het niet gebruiken van reinforcers
Vraag 4: wat is de “law of effect” ?
a. Een wet die zegt dat als een respons die gemaakt is de aanwezigheid van een
specifieke stimulus wordt beloond, dezelfde respons waarschijnlijk vaker zal gebeuren
wanneer die stimulus weer aanwezig is
b. Een wet die zegt dat als een respons is gemaakt, deze pas na de jeugd zal verdwijnen
c. Een wet die zegt dat als een respons die gemaakt is de aanwezigheid van een
specifieke stimulus wordt beloond, dezelfde respons waarschijnlijk NIET vaker zal
gebeuren wanneer die stimulus weer aanwezig is
Vraag 5:wat is het verschil tussen expliciet en impliciet geheugen?
a. Voor expliciet geheugen moet er echt even moeite voor worden gedaan, bij impliciet
geheugen hoeft een persoon geen moeite te doen om kennis op te halen.
, b. Voor impliciet geheugen moet er echt even moeite voor worden gedaan, bij expliciet
geheugen hoeft een persoon geen moeite te doen om kennis op te halen.
c. Voor expliciet geheugen moet de persoon de kennis verbaal kunnen overbrengen, bij
impliciet geheugen gaat het om de kennis die IN de hersenen blijft.
d. Voor expliciet geheugen is geen hulp van clues nodig, voor impliciet geheugen is dit
wel noodzakelijk
Vraag 6: welk van de volgende uitspraken in waar?
a. The level of processing model zegt dat de verwerking van nieuwe informatie bepaalt
hoe goed je informatie onthoudt
b. Het neutral network model stelt dat kennis wordt opgeslagen in het korte termijn
geheugen
c. The level of processing model kijkt niet naar verschillende manieren van onthouden
d. Het neutral network model kijkt naar de verbindingen tussen short term memory en
long term memory
Vraag 7: welk van onderstaande concepten “manipuleert kennis”?
a. Korte termijn geheugen
b. Lange termijn geheugen
c. Werkgeheugen
Vraag 8:wat is waar over vergeten?
a. Decay manier van vergeten zegt dat oefenen niet belangrijk is bij dingen onthouden
b. Interferentie manier van vergeten zegt dat je informatie retroactief en proactief kunt
vergeten
c. Retroactief vergeten is het vergeten van dingen die je eerst hebt geleerd, door nieuwe
informatie.
d. Proactief vergeten is het vergeten van dingen omdat je ze niet goed genoeg hebt
begrepen
Vraag 9: wat is de juiste volgorde van informatie opslaan?
a. Storage – retrieval – encoding
b. Storage – encoding – retrieval
Deeltoets 1:
Vraag 1: welk concept verstaan we onder “we stellen mensen in een gecontroleerde omgeving
bloot aan hun angsten. dus zonder dat er iets naars gebeurd de angst blootstellen”
a. Counterconditioning
b. Respondent conditioning
c. Respondent extinction
Vraag 2: wat is een negative reinforcer?
a. Het weghalen van iets positiefs (koekje afpakken)
b. Het verbaal laten weten aan het kind dat hij/zij iets verkeerd doet
c. belonen
d. Het toedienen van iets negatiefs (slaan)
Vraag 3: wat is dishabituation?
a. Het niet meer reageren op stimuli omdat deze niet veranderen en dus normaal worden
b. Het terugkrijgen van een originele respons na habituation
c. Een toename van reactie op een stimulus
d. Het niet gebruiken van reinforcers
Vraag 4: wat is de “law of effect” ?
a. Een wet die zegt dat als een respons die gemaakt is de aanwezigheid van een
specifieke stimulus wordt beloond, dezelfde respons waarschijnlijk vaker zal gebeuren
wanneer die stimulus weer aanwezig is
b. Een wet die zegt dat als een respons is gemaakt, deze pas na de jeugd zal verdwijnen
c. Een wet die zegt dat als een respons die gemaakt is de aanwezigheid van een
specifieke stimulus wordt beloond, dezelfde respons waarschijnlijk NIET vaker zal
gebeuren wanneer die stimulus weer aanwezig is
Vraag 5:wat is het verschil tussen expliciet en impliciet geheugen?
a. Voor expliciet geheugen moet er echt even moeite voor worden gedaan, bij impliciet
geheugen hoeft een persoon geen moeite te doen om kennis op te halen.
, b. Voor impliciet geheugen moet er echt even moeite voor worden gedaan, bij expliciet
geheugen hoeft een persoon geen moeite te doen om kennis op te halen.
c. Voor expliciet geheugen moet de persoon de kennis verbaal kunnen overbrengen, bij
impliciet geheugen gaat het om de kennis die IN de hersenen blijft.
d. Voor expliciet geheugen is geen hulp van clues nodig, voor impliciet geheugen is dit
wel noodzakelijk
Vraag 6: welk van de volgende uitspraken in waar?
a. The level of processing model zegt dat de verwerking van nieuwe informatie bepaalt
hoe goed je informatie onthoudt
b. Het neutral network model stelt dat kennis wordt opgeslagen in het korte termijn
geheugen
c. The level of processing model kijkt niet naar verschillende manieren van onthouden
d. Het neutral network model kijkt naar de verbindingen tussen short term memory en
long term memory
Vraag 7: welk van onderstaande concepten “manipuleert kennis”?
a. Korte termijn geheugen
b. Lange termijn geheugen
c. Werkgeheugen
Vraag 8:wat is waar over vergeten?
a. Decay manier van vergeten zegt dat oefenen niet belangrijk is bij dingen onthouden
b. Interferentie manier van vergeten zegt dat je informatie retroactief en proactief kunt
vergeten
c. Retroactief vergeten is het vergeten van dingen die je eerst hebt geleerd, door nieuwe
informatie.
d. Proactief vergeten is het vergeten van dingen omdat je ze niet goed genoeg hebt
begrepen
Vraag 9: wat is de juiste volgorde van informatie opslaan?
a. Storage – retrieval – encoding
b. Storage – encoding – retrieval