Kwalitatief = geen getallen (man, vrouw)
Nominaal = volgorde is niet belangrijk (geslacht)
Ordiaal = volgorde is belangrijk (mening)
Kwantitatief = getallen
Interval= zonder nulpunt (temperatuur)
Ratio= is met een nulpunt (leeftijd)
Discreet = gehele getallen (autos)
Continu = waarde kan door gaan achter de komma (lengte )
Cumulatief = optellend
Interpoleren = schatten van het gemiddelde doormiddel van 2 waarden (afronden op 1 decimaal)
P = kans
= gemiddelde
x = waarneming
n = alle waarnemingen
= herhaal voor alle waarnemingen
! = faculteit
k = aantal successen / aantal gebeurtenissen
E = verwachtingswaarde
σ = standaardafwijking (standaarddeviatie)
t = tijd speelt een rol
Λ= gemiddeld aantal gebeurtenissen (labda)
μ = Λ*t (verwachtingswaarde)
Afronden
kans = 4 decimalen
percentage = 2 decimalen
, Grafieken
Staafdiagram = horizontaal
Kolomdiagram = verticaal
Histogram = klassenmidden gebruiken
Ferquentiepolygoon = klassenmidden gebruiken
Cumulatief ferquentiepolygoon = hoogste waarde gebruiken