De manier waarop wij menen dingen te moeten doen (een organisatie leiden b.v.) wordt
altijd bepaald door overtuigingen en vooronderstellingen. Die hebben we vaak onbewust. En
ze zijn moeilijk te veranderen.
Al die vooronderstellingen over hoe organisaties te leiden kunnen worden ondergebracht in
e1 model. Hierbij worden al die organisatie theorieën weergegeven op 2 dimensies:
1. Flexibiliteit versus beheersing
2. Nadruk op interne organisatie versus nadruk op externe organisatie
Het concurrerende waarden model
De clou van dit model is: al deze tegenstellingen kunnen (en moeten) in de realiteit naast
elkaar bestaan binnen 1 organisatie. We zijn geneigd te denken, dat de tegenstellingen
elkaar uitsluiten. Maar de opgave is de 4 benaderingen sámen gebruiken. De manager moet
alle 4 benaderingen naar waarde kunnen schatten, zich de vaardigheden van alle 4
benaderingen eigen maken en die ook allemaal kunnen toepassen!
In het bovenstaande model staan 8 rollen die managers moeten vervullen in hun organisatie:
, 1. Stimulator: moedigt samenwerking aan, brengt team tot stand, lost onderlinge
conflicten op. Is proces georiënteerd. Brengt participatie tot stand.
2. Mentor: zorgzaam en meelevend de mensen ontwikkelen. Open, waardering uiten,
individuele ontwikkeling staat voorop.
3. Innovator: maakt veranderingen mogelijk. Herkent belangrijke ontwikkelingen.
Tolereert onzekerheid en risico. Hebben visie, kunnen enthousiasmeren.
4. Bemiddelaar: verkrijgt productiemiddelen van buitenaf. Handhaaft externe
legitimiteit. Imago, presentatie. Politiek geslepen. Onderhandelaar.
5. Producent: taak-georiënteerd, gericht op werk. Veel betrokkenheid, energie, inzet.
Verantwoordelijkheid accepteren. Medewerkers motiveren tot hogere productiviteit.
6. Bestuurder: verwachtingen duidelijk maken via doelen stellen en planningen.
Problemen definiëren, rollen en taken definiëren, regels en beleid opstellen,
instructies geven.
7. Coördinator: structuur van het systeem onderhouden.Betrouwbaar. Regelen,
organiseren. Aandacht voor technologie, logistiek, administratie.
8. Controleur: weten wat er gaande is. Nagaan of men zich aan de afspraken houdt, of
de doelen worden gehaald. Alle feiten kennen. Zorg voor details.
Deze rollen moeten managers dus spelen, en wel allemaal en op alle niveaus!
Dat betekent dus per definitie dat een goede manager niet 1 soort gedrag vertoont, maar
vele (8) tegengestelde gedragingen geïntegreerd kan toepassen.
Bij elk van die 8 rollen horen 3 kernvaardigheden:
Stimulator 1.Teambuilding
2.Participerende besluitvorming gebruiken
3.Conflicten managen
Mentor 1.Inzicht in uzelf en anderen
2.Effectief communiceren
3.Ontwikkeling van ondergeschikten
Innovator 1.Leven met verandering
2.Creatief denken
3.Management van veranderingen
Bemiddelaar 1.Een machtsbasis opbouwen en handhaven
2.Onderhandelen
3.Ideeën presenteren
Producent 1.Productief werken
2.Tijd- en stressmanagement
3.Een productieve werkomgeving bevorderen
Bestuurder 1.Een visie hebben, plannen en doelen stellen
2.Ontwerpen en organiseren
3.Effectief delegeren
Coördinator 1.Projectmanagement
2.Taken ontwerpen
3.Crossfunctioneel management
Controleur 1.Controleren van het eigen functioneren
2.Controleren van het collectief functioneren
3.Controleren van het functioneren van de organisatie
Al met al dus 24 vaardigheden, die de manager moet begrijpen, beheersen en waar nodig
kunnen toepassen.