Natuurkunde H.6 Licht
6.1 Licht en Beeld
Licht
Je ogen nemen licht waar, van alles wat je ziet moet dus licht komen. Er zijn 2 soorten
verlichtingen:
Primair licht = is afkomstig van een lichtbron, bijv. : de zon, een lamp of vuur
Secundair licht = is afkomstig van een voorwerp dat licht reflecteert, bijv. : de maan,
een reflector. Maar ook een tafel in de zon, een kamer bij een brandende kaars, een
boek bij een leeslampje enzovoort.
Eigenschappen van licht :
- Licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300000 km/s..
- Kleur: je hersenen kennen aan verschillende soorten licht verschillende soorten
kleuren toe.
- De stralengang is omkeerbaar: Als er een lichtstraal van A naar B gaat is er mogelijk
ook een lichtstraal die van B naar A gaat.
Licht dat op een oppervlak valt, kan 3 dingen doen :
Het oppervlak absorbeert het licht en zet lichtenergie om in warmte-energie van
geluid.
Het oppervlak laat het licht door.
Het licht weerkaats op het oppervlak, dat kan op 2 manieren:
- Licht kan diffuus weerkaatsen, het licht weerkaats dan alle kanten op.
- Licht kan spiegelend weerkaatsen, licht weerkaatst dan 1 kant op.
Spitslichtjes = glinsteringen, weerspiegelingen van een lichtbron.
Beeldvorming bij een spiegel
Je kunt op 2 manieren bij een spiegel construeren:
Je kunt construeren met spiegelbeelden
Je kunt construeren met de spiegelwet
Wat voor de spiegel staat noem je het voorwerp en de weerspiegeling van het voorwerp
noem je het beeld of het spiegelbeeld. Je spreekt van een beeld als er van ieder punt van
een voorwerp 1 punt op het beeld is. Als je lichtstralen construeert via spiegelbeelden,
voldoen ze automatisch aan de spiegelwet.
6.1 Licht en Beeld
Licht
Je ogen nemen licht waar, van alles wat je ziet moet dus licht komen. Er zijn 2 soorten
verlichtingen:
Primair licht = is afkomstig van een lichtbron, bijv. : de zon, een lamp of vuur
Secundair licht = is afkomstig van een voorwerp dat licht reflecteert, bijv. : de maan,
een reflector. Maar ook een tafel in de zon, een kamer bij een brandende kaars, een
boek bij een leeslampje enzovoort.
Eigenschappen van licht :
- Licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300000 km/s..
- Kleur: je hersenen kennen aan verschillende soorten licht verschillende soorten
kleuren toe.
- De stralengang is omkeerbaar: Als er een lichtstraal van A naar B gaat is er mogelijk
ook een lichtstraal die van B naar A gaat.
Licht dat op een oppervlak valt, kan 3 dingen doen :
Het oppervlak absorbeert het licht en zet lichtenergie om in warmte-energie van
geluid.
Het oppervlak laat het licht door.
Het licht weerkaats op het oppervlak, dat kan op 2 manieren:
- Licht kan diffuus weerkaatsen, het licht weerkaats dan alle kanten op.
- Licht kan spiegelend weerkaatsen, licht weerkaatst dan 1 kant op.
Spitslichtjes = glinsteringen, weerspiegelingen van een lichtbron.
Beeldvorming bij een spiegel
Je kunt op 2 manieren bij een spiegel construeren:
Je kunt construeren met spiegelbeelden
Je kunt construeren met de spiegelwet
Wat voor de spiegel staat noem je het voorwerp en de weerspiegeling van het voorwerp
noem je het beeld of het spiegelbeeld. Je spreekt van een beeld als er van ieder punt van
een voorwerp 1 punt op het beeld is. Als je lichtstralen construeert via spiegelbeelden,
voldoen ze automatisch aan de spiegelwet.