Een korte begrijpelijke samenvatting van de versterkte informatie via youlearn, de aangeboden
literatuur, bekeken filmpjes t.b.v. verdere uitleg m.b.t de onderwerpen.
Thema 1 Basisconcepten
1.1 Onderzoek en ethiek
Empirisch onderzoek is onderzoek: Onderzoek waarbij data wordt verzameld. De empirische
onderzoek cyclus: onderzoeksvraag formuleren, studie ontwerpen, data verzamelen, data analyseren,
rapporteren
Ethiek: Uitgevoerd met mensen, van publiekgeld, privacy overwegingen.
Dubieuze onderzoekspraktijken: Bias/ gewenste resultaten data zoeken.
1.2 Operationalisaties
Operationalisatie = de vertaling van de definitie van het theoretische construct naar een
meetinstrument of manipulatie
Construct = naam/definitie van een variabele
Variabele= kenmerk dat een persoon, een ding, een plaats of idee beschrijft. Een waarde van
een variabele kan verschillende vormen aannemen.
Introspectie = zelfreflectie. Mensen zijn zich niet bewust van biases/verstoring
informatieverwerking/opslag etc. de introspectie van mensen zorgt dat het nodig is operationalisaties
te doen om constructen te meten.
Meetinstrument = meet iets zonder te beïnvloeden = objectief.
Manipulatie = beïnvloeden variabele om invloed te onderzoeken,
kwantitatief onderzoek = data verzamelen
Kwantitatief onderzoek= dmv operationalisaties realiteit omzetten naar data, verzamelen en
analyseren
Kwalitatief onderzoek = analyseren kwalitatieve data (is niet systematisch verwerkt, begrip verkrijgen
via onderzoek, lage power en niet generaliseer baar) ^ / Erg creatief '
Meetmodel= visualiseert invloed variabele Bijv\Extrovert>hweinig creatief >
1.3 Betrouwbaarheid en validiteit
Betrouwbaarheid = kans op zelfde uitkomst bij meerdere metingen. „ \:s;
Validiteit= komt meetwaarde overeen met realiteit meetwaarde in de populatie? >
soorten validiteit: Constructvaliditeit, indruksvaliditeit, criteriumvaliditeit, inhouds/contentvaliditeit,
externevaliditeit.
Relatie validiteit en betrouwbaarheid -> Hoe minder valide hoe minder datapunten in het midden van
scatterplot verdeeld. Hoe minder betrouwbaar hoe verder datapunten uit elkaar liggen.
Meetfout = alles wat invloed kan hebben op onderzoek. Niet-systematische = toeval (1x slecht
geslapen) Systematische= systematische vertekening (insomnia)
1.4 populaties en steekproeven
Steekproef = groep uit populatie.
, A-selecte steekproef = random.
Gestratificeerde steekproef = a-select maar eerst onderverdeeld als geslacht.
Multilevel steekproef = diverse a-selecte stappen. Bijv. scholen a-select, dan klassen dan scholieren.
Selecte steekproef = deelnemers weloverwogen geselecteerd.
Convenience sampling = waren gemakkelijk toegankelijk.
Snowball sampling = bewust gekozen waarna gevraagd andere uit te nodigen die zij kennen.
Thema 2 Modellen, designs en onderzoeksvragen
2.1 structuerele modellen
Structureel model: Waar een meetmodel de operationalisatie van een variabele illustreert, laat een
structureel model, ook wel conceptueel model, zien hoe de onderzoeker verwacht dat de variabelen in
een studie samenhangen.
2.2 type designs
Cross-sectioneel onderzoek = in één sessie gedaan. -> samenhang 2 variabele.
Longitudinaal onderzoek = over tijd, meerdere meet momenten -> theorie mbt proces onderzoek.
Experimenteel onderzoek = design waarin minimaal 1 variabele wordt gemanipuleerd.
Observationeel onderzoek = kijken niet manipuleren.
Confounders = 3e variabele die niet uitgesloten kan worden van verantwoordelijkheid voor uitkomst.
Oplossen door groepen verdeling en manipulatie.
Randomisatie = onderzoekseenheid willekeurig toegewezen aan één groep.
Controleconditie = niet gemanipuleerde groep.
matching condities = alle condities hetzelfde behalve manipulatie.
Blindering = Deelnemers weten niet welke groep ze zijn ingedeeld (placebo of niet)
Dubbelblind = Deelnemers en onderzoekers weten het niet.
Proefleiders= Mensen die deelnemers begeleiden maar zelf niets weten dus geen bias.
2.3 onderzoeksvragen en hypothesen
Kunnen op 2 niveaus worden geformuleerd: theoretisch niveau. De genoemde variabelen zijn de
namen van de constructen zoals ze in wetenschappelijke theorieën voorkomen.
De formulering op operationeel niveau benoemt de operationalisaties van elk construct en ideaal
gezien ook de verwachte effectgrootte.
Onderzoeksvraag= waar onderzoeker antwoord op wil geven.
Hypothese = vraag geformuleerd als stelling, drukt verwachting onderzoeker uit.
Onafhankelijke variabele (causale antecedent) = voorspeller
Afhankelijke variabele (causale consequent) = uitkomstmaat
Thema 3 univariatie analyse
3.1 beschrijvingsmaten
Centrummaten: gemiddelde/mediaan/modus
Spreidingsmaten: interkwartielafstand(IQR), Variatie (SS), Variatie(MS), standaarddeviatie (SD)
Standaard error (SE)
Verdelingsmaten: Skewness(scheefheid), kurtosis(spitsigheid), DIPtest