ANATOMIE PRAKTIJK SAMENVATTING
Examen = 50% → DIGITAAL
PRAKTIJKLES 1: BEGINSELEN
1. Algemene begrippen
- Os = bot
- Tendo = ppes
- Musculus = spier
- Ligamentum = gewrichtband/ligament
- Capsula = kapsel
- Bursa = beurs (vb. slijmbeurs)
- Mediaal = naar midden toe
- Lateraal = weg vh midden
- Ventraal = buikzijde
- Dorsaal = rugzijde
- Craniaal = naar hoofd toe
- Caudaal = naar staart toe
- Anterior = voorkant
- Posterior = achterkant
- Superior = hoger
- Inferior = lager
- Proximaal = dicht
- Distaal = verder
- Abductie = weg v lichaam
- Adductie = naar lichaam
- Endorotatie = nr binnen
- Exorotatie = nr buiten
- Supinatie = palm omhoog
- Pronatie = palm omlaag
- Neutraal = hand op zijn zijkant (zoals een geldstuk)
- Anteflexie = naar voor
- Retroflexie = naar achter
- Palmair flexie = handpalm naar de grond
- Dorsaalflexie = handrug naar boven
- Radiale abductie = duim naar links
- Ulnaire abductie = pink naar rechts
- Radius = spaakbeen
- Ulna = ellepijp
- Plantair flexie = voetzool naar achter (ballerina)
- Dorsaalflexie = voet en tenen zo naar boven plooien, naar been toe
2. Oriëntatietermen
- Mediaal en lateraal
- Ventraal en dorsaal
- Craniaal en caudaal
+
- Anterior en posterior
1
, - Superior en inferior
- Proximaal en distaal
3. Oefening
4. Vlakken
- Transversaal: Boven – onder → cranialialis – caudalis → superior – inferior
- Frontaal: Voor- achter → ventralis – dorsalis → anterior - posterior
- Parasagittaal: Links-rechts → medialis – lateralis → internus – externus
5. Assen
- Craniocaudale as
- Dorsoventrale as
- Laterolaterale as
6. Bewegingen
Endorotatie – exorotatie
2
, 7. Waarom hebben wij een skelet
- Bewegen
- Bescherming
- Stabiliteit
- Overleven
- Voortplanting
8. Waarom beenderen nodig?
- Ondersteunen en beschermen organen
- Algemene vorm en verhoudingen lichaam
- Aangrijpingspunt spieren
- Rol in bewegingen
3
Examen = 50% → DIGITAAL
PRAKTIJKLES 1: BEGINSELEN
1. Algemene begrippen
- Os = bot
- Tendo = ppes
- Musculus = spier
- Ligamentum = gewrichtband/ligament
- Capsula = kapsel
- Bursa = beurs (vb. slijmbeurs)
- Mediaal = naar midden toe
- Lateraal = weg vh midden
- Ventraal = buikzijde
- Dorsaal = rugzijde
- Craniaal = naar hoofd toe
- Caudaal = naar staart toe
- Anterior = voorkant
- Posterior = achterkant
- Superior = hoger
- Inferior = lager
- Proximaal = dicht
- Distaal = verder
- Abductie = weg v lichaam
- Adductie = naar lichaam
- Endorotatie = nr binnen
- Exorotatie = nr buiten
- Supinatie = palm omhoog
- Pronatie = palm omlaag
- Neutraal = hand op zijn zijkant (zoals een geldstuk)
- Anteflexie = naar voor
- Retroflexie = naar achter
- Palmair flexie = handpalm naar de grond
- Dorsaalflexie = handrug naar boven
- Radiale abductie = duim naar links
- Ulnaire abductie = pink naar rechts
- Radius = spaakbeen
- Ulna = ellepijp
- Plantair flexie = voetzool naar achter (ballerina)
- Dorsaalflexie = voet en tenen zo naar boven plooien, naar been toe
2. Oriëntatietermen
- Mediaal en lateraal
- Ventraal en dorsaal
- Craniaal en caudaal
+
- Anterior en posterior
1
, - Superior en inferior
- Proximaal en distaal
3. Oefening
4. Vlakken
- Transversaal: Boven – onder → cranialialis – caudalis → superior – inferior
- Frontaal: Voor- achter → ventralis – dorsalis → anterior - posterior
- Parasagittaal: Links-rechts → medialis – lateralis → internus – externus
5. Assen
- Craniocaudale as
- Dorsoventrale as
- Laterolaterale as
6. Bewegingen
Endorotatie – exorotatie
2
, 7. Waarom hebben wij een skelet
- Bewegen
- Bescherming
- Stabiliteit
- Overleven
- Voortplanting
8. Waarom beenderen nodig?
- Ondersteunen en beschermen organen
- Algemene vorm en verhoudingen lichaam
- Aangrijpingspunt spieren
- Rol in bewegingen
3