Samenvatting Didactiek
Definitie van didactiek:
De kunst van het lesgeven. Het is een onderdeel van onderwijskunde, waarbij bestudeerd wordt op
welke manier men het beste les kan geven en hoe iemand de lesstof eigen maakt.
De 3 hoofdvragen binnen didactiek:
1. Wat wordt er geleerd?
2. Wie leert er?
3. Waarmee wordt er geleerd?
Paardrijden is een gevoelsoverdracht. Instructeurs moeten de ruiter steeds beter leren ‘aanvoelen’.
Beginsituatie: Het inschatten van de beginsituatie is bepalend voor de les. De meest gebruikelijke
manier om dit in kaart te brengen is het observeren van ruiter en paard en vragen stellen. Wat wil je
weten van een combinatie die je in de les krijgt?
1. Niveau van de ruiter en het paard.
2. Leeftijd van de ruiter en het paard.
3. Verwachting van de ruiter.
4. Motivatie van de ruiter.
5. Manier waarop de ruiter op de instructie reageert.
Vier doelstellingen waar een instructeur in de les aan moet werken:
1. (Theoretische) Kennis overdragen: is het aanleren van nieuwe vaardigheden of het
verbeteren van reeds aanwezige vaardigheden.
2. Vaardigheden aanleren; oefenen, houding, zit, coördinatie etc.
3. Attitude bijbrengen; corrigeren, stimuleren, persoonlijkheid ondersteunen.
Doelen: moeten voldoen aan het onderstaande:
1. Realistisch, helder en duidelijk
2. Prestatiegericht
3. Uitdagend
4. Tijdsgebonden
5. Meetbaar
4. Conditie verbeteren; lenigheid en beheersing over de spieren.
Doel lesschema: de instructeur kan zich voorbereiden op wat hij in de les wil gaan doen en bereiken.
De volgende onderdelen kan je hierin kwijt:
1. Inschatten beginsituatie
2. Lesindeling: wat ben je van plan
3. Instructie: het lesgeven
4. Beoefening van de instructie en correctie
5. Uitvoering van de beoordeling
6. Evaluatie
Juiste overdracht van kennis en vaardigheid:
- Leer slechts 1 handeling tegelijk.
- Moeilijke dingen mogen niet te lang achter elkaar geoefend worden.
- Fouten afleren is erg moeilijk.
- De instructeur mag een oefening uitsluitend op de juiste wijze voordoen.
- Tijdens de instructie steeds het hoe en waarom verklaren.
- De instructeur zorgt ervoor dat de leerlingen hun aandacht juist richten.
- Veiligheid.
Definitie van didactiek:
De kunst van het lesgeven. Het is een onderdeel van onderwijskunde, waarbij bestudeerd wordt op
welke manier men het beste les kan geven en hoe iemand de lesstof eigen maakt.
De 3 hoofdvragen binnen didactiek:
1. Wat wordt er geleerd?
2. Wie leert er?
3. Waarmee wordt er geleerd?
Paardrijden is een gevoelsoverdracht. Instructeurs moeten de ruiter steeds beter leren ‘aanvoelen’.
Beginsituatie: Het inschatten van de beginsituatie is bepalend voor de les. De meest gebruikelijke
manier om dit in kaart te brengen is het observeren van ruiter en paard en vragen stellen. Wat wil je
weten van een combinatie die je in de les krijgt?
1. Niveau van de ruiter en het paard.
2. Leeftijd van de ruiter en het paard.
3. Verwachting van de ruiter.
4. Motivatie van de ruiter.
5. Manier waarop de ruiter op de instructie reageert.
Vier doelstellingen waar een instructeur in de les aan moet werken:
1. (Theoretische) Kennis overdragen: is het aanleren van nieuwe vaardigheden of het
verbeteren van reeds aanwezige vaardigheden.
2. Vaardigheden aanleren; oefenen, houding, zit, coördinatie etc.
3. Attitude bijbrengen; corrigeren, stimuleren, persoonlijkheid ondersteunen.
Doelen: moeten voldoen aan het onderstaande:
1. Realistisch, helder en duidelijk
2. Prestatiegericht
3. Uitdagend
4. Tijdsgebonden
5. Meetbaar
4. Conditie verbeteren; lenigheid en beheersing over de spieren.
Doel lesschema: de instructeur kan zich voorbereiden op wat hij in de les wil gaan doen en bereiken.
De volgende onderdelen kan je hierin kwijt:
1. Inschatten beginsituatie
2. Lesindeling: wat ben je van plan
3. Instructie: het lesgeven
4. Beoefening van de instructie en correctie
5. Uitvoering van de beoordeling
6. Evaluatie
Juiste overdracht van kennis en vaardigheid:
- Leer slechts 1 handeling tegelijk.
- Moeilijke dingen mogen niet te lang achter elkaar geoefend worden.
- Fouten afleren is erg moeilijk.
- De instructeur mag een oefening uitsluitend op de juiste wijze voordoen.
- Tijdens de instructie steeds het hoe en waarom verklaren.
- De instructeur zorgt ervoor dat de leerlingen hun aandacht juist richten.
- Veiligheid.