Kostencalculatie H1 betekenis van de bedrijfseconomie
Begrippen:
- Schaarste = niet voldoende middelen om in alle doelen te voorzien.
- Economische principe:
1) Met beschikbare middelen probeer ik doelen te bereiken
2) Zo min mogelijk middelen ( geld ) gebruiken voor je doel.
VB een broek kopen die zo min mogelijk kost
- Welvaart = als je je doel hebt bereikt, relatief begrip, is voor iedereen anders
- Economisch handelen = eisen die je hebt, persoonlijke welvaart sturen
VB alleen kleding die niet is gemaakt door kinderen
Bedrijfshuishouding
Productieproces: ( in een bedrijf meerdere productieprocessen )
1. Input ( grondstoffen )
2. Omzettingsproces ( juiste verhoudingen, temperatuur )
3. Output ( eindproduct )
Productie - organisatie
1) Financieel-economisch zelfstandige particuliere sector: onderneming
overheid: overheidsbedrijf
2) Financieel-economisch onzelfstandige particuliere sector: non-profitorganisatie
overheid: overheidsdiensten
Doelstelling van de organisatie ( wat willen ze bereiken ) strategie ( hoe ga ik mijn doelstelling
bereiken ) operationele doelen ( subdoelen maken )
Concurrentie tussen branchegenoten, afhankelijk van:
- Leveranciers ( prijs ineens omhoog, slecht voor concurrentie )
- Afnemers ( het ligt eraan op wie je je richt, middenklasse of de rijke mensen )
- Potentiële toetreders ( hoe groot is de kans dat er een nieuw bedrijf dezelfde doelstelling
heeft )
- Substituten ( zijn er veel producten die mijn product kunnen vervangen )
Marktvormen:
- Monopolie
Prijs zelf bepalen
- Oligopolie
Enkele grote bedrijven, VB olie, bank
Concurrentie niet op de prijs
- Monopolistische concurrentie
VB waspoeder, kleding. Iedereen wil monopolist worden
- Volledige mededinging
Veel vragers en veel aanbieders geen invloed op de prijs
VB rijst, aardappel, koffie
Begrippen:
- Schaarste = niet voldoende middelen om in alle doelen te voorzien.
- Economische principe:
1) Met beschikbare middelen probeer ik doelen te bereiken
2) Zo min mogelijk middelen ( geld ) gebruiken voor je doel.
VB een broek kopen die zo min mogelijk kost
- Welvaart = als je je doel hebt bereikt, relatief begrip, is voor iedereen anders
- Economisch handelen = eisen die je hebt, persoonlijke welvaart sturen
VB alleen kleding die niet is gemaakt door kinderen
Bedrijfshuishouding
Productieproces: ( in een bedrijf meerdere productieprocessen )
1. Input ( grondstoffen )
2. Omzettingsproces ( juiste verhoudingen, temperatuur )
3. Output ( eindproduct )
Productie - organisatie
1) Financieel-economisch zelfstandige particuliere sector: onderneming
overheid: overheidsbedrijf
2) Financieel-economisch onzelfstandige particuliere sector: non-profitorganisatie
overheid: overheidsdiensten
Doelstelling van de organisatie ( wat willen ze bereiken ) strategie ( hoe ga ik mijn doelstelling
bereiken ) operationele doelen ( subdoelen maken )
Concurrentie tussen branchegenoten, afhankelijk van:
- Leveranciers ( prijs ineens omhoog, slecht voor concurrentie )
- Afnemers ( het ligt eraan op wie je je richt, middenklasse of de rijke mensen )
- Potentiële toetreders ( hoe groot is de kans dat er een nieuw bedrijf dezelfde doelstelling
heeft )
- Substituten ( zijn er veel producten die mijn product kunnen vervangen )
Marktvormen:
- Monopolie
Prijs zelf bepalen
- Oligopolie
Enkele grote bedrijven, VB olie, bank
Concurrentie niet op de prijs
- Monopolistische concurrentie
VB waspoeder, kleding. Iedereen wil monopolist worden
- Volledige mededinging
Veel vragers en veel aanbieders geen invloed op de prijs
VB rijst, aardappel, koffie