Hoorcollege 1: Introductie
Leerdoelen:
- Je kan benoemen wat extramurale zorg is
- Je kan aangeven wat de leeruitkomsten zijn van de module, de opbouw van het onderwijs,
en de toets procedure.
0e lijn zorg = sportcentra, maatschappelijke ondersteuning
1e lijn zorg = extramuraal = fysio, huisarts
2e lijn zorg = Intramuraal = ziekenhuis
3e lijn zorg = Intramuraal = specialistische instelling
Hoorcollege 2: Inleiding neuropathologie
Leerdoelen
De student:
1. Beschrijft de zes stappen van de sensomotorische kring, van motivatie tot uitvoering en weer
opnieuw.
2. Benoemt de anatomische locaties (in Latijnse en Nederlandse termen) van de stappen van de
sensomotorische kring en wijst deze aan op een hersenmodel.
3. Beschrijft hoe motoriek vanuit de hersenen wordt aangestuurd, via de belangrijkste
motorische banen (tractus corticospinalis en tractus reticulospinalis).
4. Beschrijft hoe motoriek wordt bijgestuurd door feedback en feedforward.
5. Benoemt de vier meest kenmerkende neurologische functiestoornissen (SSSS)
6. Beschrijft welke functiestoornissen voorkomen bij schade op verschillende locaties in het
centrale zenuwstelsel (cortex cerebri, basale kernen, cerebellum, ruggenmerg)
7. Beschrijft en herkent de meestvoorkomende klinische beelden bij schade op de verschillende
locaties in het centrale zenuwstelsel
Leerdoel 1
De 6 stappen van de sensomotorische kring:
M3= We willen een uit bed komen
M2= We moeten de dekens van ons afhalen
M1= We moeten flexie maken in armen, benen, rotatie in de rug
S1= We voelen iets op de dekens
S2= We analyseren de dekens
S3= We horen, zien of ruiken iets raars op de dekens.
,Sensomotorische kring
Leerdoel 2
Je kan een beweging in 3 gebieden inzetten: Lymbische systeem (L)- Ik heb honger, frontale cortex
(F)- Ik moet naar school, of een sensorische prikkel in het sensorische gebied (S1).
Wat gebeurt er bij “een prikkel op de hand, terwijl je in de tuin ligt”?
Je voelt iets op je hand (S1), het kan zijn dat je analyseert en denkt “het is een vlieg” en je schut je
hand. Kring S2 -> M2.
Signaal verdwijnt niet, prikkel blijft zitten -> Je kijkt naar je hand en ziet een spin S3 -> Je bent bang
voor spinnen en zet een stressreactie in (L), of je bent niet bang voor spinnen en je denk “Hé ik zal
die spin even een stukje verderop in de tuin zetten (M3) –> Ik moet lopen (M2) –> knie buigen
spieren spannen (M1) -> die info wordt naar het ruggenmerg gestuurd.
Bewegingen waar niet over nagedacht hoeft te worden uitbesteed aan de basale kernen (B). Het
vloeiende verloop van deze bewegingen wordt gereguleerd door het Cerebellum (C).
,Leerdoel 3
Centraal motorische neuronen (CMN)
Locatie= cortex cerebri (hersenschors)
Perifeer motorische neuronen (PMN)
Locatie= Medulla spinalis (ruggenmerg)
CMN kan PMN info 2 soorten info sturen:
Directe verbinding
1. Inhibitie - off
2. Fasilitatie – on (alpha en gammaneuronen, gamma- zitten in de spierspoeltjes)
Dit gebeurt via de tractus corticospinalis (vertaling= baan tussen de cortex en de spinalis)
Andere banen
Indirecte verbinding
Tractus corticospinalis
Van cortex -> Medulla spinalis
Direct naar het ruggenmerg
Lateralis tractus corticospinalis= 85%, gekruist naar heup schouder en extremiteiten (10% direct naar
de hand).
Anterior trractus cotricospinalis= 15%, ongekruist naar axiale spieren (nek & romp).
Overige banen uit hersenstam en basale kernen -> ongekruist en direct naar axiale spieren.
Leerdoel 4
Terugkoppeling
Bijsturen van de somatossensorische cortex (S1)
- Spin zit nog op hand
Bijsturing vanuit cerebellum
- Feedback: vergelijk instructie met effect (langzaam)
- Feedforward: onderschept instructie en stelt bij op verwachting (snel): spin loopt naar pols
Leerdoel 5
CNA
Motorisch Sensorisch Cognitief
Spierkracht Spiertonus Sturing Sensibiliteit
(Kennisclip te vinden op canvas MAAR WAAR?)
Spierkracht disfunctie heet: parese of paralyse
Vooral aangedaan= Relatief gespaard=
- Distaal - De romp
- Fijne motoriek
Sensibiliteit disfunctie vooral
- Distaal problemen
Spasticiteit = een verhoogde
reflexactiviteit, door een tekort
aan inhibitie. Wordt nog erger bij
activatie.
, Spiertonus:
- Verlaagd hypotonie (slappe parese)
- Verhoogd hypertonie – spasticiteit (spastische parese)
Sturing:
- Ontremming reflexen in ruggenmerg
- Pathologische of primitieve reflexen (babyreflexen komen terug)
- Verminderde sturing
- Niet in staat om selectief te bewegen (flexie cubiti, terwijl humeri stil blijft staan)
- Distale fijne motoriek aangedaan
Leerdoel 6
Laesie de cortex cerebri:
Zie alfbeelding “Cortex cerebri (hersenschors)” voor disfuncties.
Hemibeeld is halfzijdig
Gele lijn = centrale sulcus, die de motoriek en sensorische deel onderverdeeld.
Laesie in het ruggenmerg:
Hangt af van het niveau van de schade C=craniaal, Lumbaal = benen etc.
Hypotonie en hyporeflexie
- Uitval sturing van de cortex
Secundaire hypertonie en hyperreflexie:
- Geen inhibitie uit cortex
- Geen synergievorming
Laesie in basale kernen:
Gewoonte zoals lopen wordt uitgevoerd door de basale kernen.
Extrapiramidaal systeem:
Banen die vanaf de basale kernen en andere gebieden onder in de hersenen naar het spinale gaan.
- Paleoniveau
- Oud systeem
Leerdoelen:
- Je kan benoemen wat extramurale zorg is
- Je kan aangeven wat de leeruitkomsten zijn van de module, de opbouw van het onderwijs,
en de toets procedure.
0e lijn zorg = sportcentra, maatschappelijke ondersteuning
1e lijn zorg = extramuraal = fysio, huisarts
2e lijn zorg = Intramuraal = ziekenhuis
3e lijn zorg = Intramuraal = specialistische instelling
Hoorcollege 2: Inleiding neuropathologie
Leerdoelen
De student:
1. Beschrijft de zes stappen van de sensomotorische kring, van motivatie tot uitvoering en weer
opnieuw.
2. Benoemt de anatomische locaties (in Latijnse en Nederlandse termen) van de stappen van de
sensomotorische kring en wijst deze aan op een hersenmodel.
3. Beschrijft hoe motoriek vanuit de hersenen wordt aangestuurd, via de belangrijkste
motorische banen (tractus corticospinalis en tractus reticulospinalis).
4. Beschrijft hoe motoriek wordt bijgestuurd door feedback en feedforward.
5. Benoemt de vier meest kenmerkende neurologische functiestoornissen (SSSS)
6. Beschrijft welke functiestoornissen voorkomen bij schade op verschillende locaties in het
centrale zenuwstelsel (cortex cerebri, basale kernen, cerebellum, ruggenmerg)
7. Beschrijft en herkent de meestvoorkomende klinische beelden bij schade op de verschillende
locaties in het centrale zenuwstelsel
Leerdoel 1
De 6 stappen van de sensomotorische kring:
M3= We willen een uit bed komen
M2= We moeten de dekens van ons afhalen
M1= We moeten flexie maken in armen, benen, rotatie in de rug
S1= We voelen iets op de dekens
S2= We analyseren de dekens
S3= We horen, zien of ruiken iets raars op de dekens.
,Sensomotorische kring
Leerdoel 2
Je kan een beweging in 3 gebieden inzetten: Lymbische systeem (L)- Ik heb honger, frontale cortex
(F)- Ik moet naar school, of een sensorische prikkel in het sensorische gebied (S1).
Wat gebeurt er bij “een prikkel op de hand, terwijl je in de tuin ligt”?
Je voelt iets op je hand (S1), het kan zijn dat je analyseert en denkt “het is een vlieg” en je schut je
hand. Kring S2 -> M2.
Signaal verdwijnt niet, prikkel blijft zitten -> Je kijkt naar je hand en ziet een spin S3 -> Je bent bang
voor spinnen en zet een stressreactie in (L), of je bent niet bang voor spinnen en je denk “Hé ik zal
die spin even een stukje verderop in de tuin zetten (M3) –> Ik moet lopen (M2) –> knie buigen
spieren spannen (M1) -> die info wordt naar het ruggenmerg gestuurd.
Bewegingen waar niet over nagedacht hoeft te worden uitbesteed aan de basale kernen (B). Het
vloeiende verloop van deze bewegingen wordt gereguleerd door het Cerebellum (C).
,Leerdoel 3
Centraal motorische neuronen (CMN)
Locatie= cortex cerebri (hersenschors)
Perifeer motorische neuronen (PMN)
Locatie= Medulla spinalis (ruggenmerg)
CMN kan PMN info 2 soorten info sturen:
Directe verbinding
1. Inhibitie - off
2. Fasilitatie – on (alpha en gammaneuronen, gamma- zitten in de spierspoeltjes)
Dit gebeurt via de tractus corticospinalis (vertaling= baan tussen de cortex en de spinalis)
Andere banen
Indirecte verbinding
Tractus corticospinalis
Van cortex -> Medulla spinalis
Direct naar het ruggenmerg
Lateralis tractus corticospinalis= 85%, gekruist naar heup schouder en extremiteiten (10% direct naar
de hand).
Anterior trractus cotricospinalis= 15%, ongekruist naar axiale spieren (nek & romp).
Overige banen uit hersenstam en basale kernen -> ongekruist en direct naar axiale spieren.
Leerdoel 4
Terugkoppeling
Bijsturen van de somatossensorische cortex (S1)
- Spin zit nog op hand
Bijsturing vanuit cerebellum
- Feedback: vergelijk instructie met effect (langzaam)
- Feedforward: onderschept instructie en stelt bij op verwachting (snel): spin loopt naar pols
Leerdoel 5
CNA
Motorisch Sensorisch Cognitief
Spierkracht Spiertonus Sturing Sensibiliteit
(Kennisclip te vinden op canvas MAAR WAAR?)
Spierkracht disfunctie heet: parese of paralyse
Vooral aangedaan= Relatief gespaard=
- Distaal - De romp
- Fijne motoriek
Sensibiliteit disfunctie vooral
- Distaal problemen
Spasticiteit = een verhoogde
reflexactiviteit, door een tekort
aan inhibitie. Wordt nog erger bij
activatie.
, Spiertonus:
- Verlaagd hypotonie (slappe parese)
- Verhoogd hypertonie – spasticiteit (spastische parese)
Sturing:
- Ontremming reflexen in ruggenmerg
- Pathologische of primitieve reflexen (babyreflexen komen terug)
- Verminderde sturing
- Niet in staat om selectief te bewegen (flexie cubiti, terwijl humeri stil blijft staan)
- Distale fijne motoriek aangedaan
Leerdoel 6
Laesie de cortex cerebri:
Zie alfbeelding “Cortex cerebri (hersenschors)” voor disfuncties.
Hemibeeld is halfzijdig
Gele lijn = centrale sulcus, die de motoriek en sensorische deel onderverdeeld.
Laesie in het ruggenmerg:
Hangt af van het niveau van de schade C=craniaal, Lumbaal = benen etc.
Hypotonie en hyporeflexie
- Uitval sturing van de cortex
Secundaire hypertonie en hyperreflexie:
- Geen inhibitie uit cortex
- Geen synergievorming
Laesie in basale kernen:
Gewoonte zoals lopen wordt uitgevoerd door de basale kernen.
Extrapiramidaal systeem:
Banen die vanaf de basale kernen en andere gebieden onder in de hersenen naar het spinale gaan.
- Paleoniveau
- Oud systeem