Periode 2
Week 1
De algemene functies van het zenuwstelsel zijn:
ervoor zorgen dat organen in hun werking goed op elkaar afgestemd zijn zodra het lichaam in
actie komt (bijvoorbeeld fietsen, praten);
regulatie en coördinatie van de werking van de vegetatieve stelsels (bijvoorbeeld
spijsvertering, ademhaling);
het bewust kunnen reageren op wat er om je heen gebeurt, door verwerking van de
waarnemingen (bijvoorbeeld hard wegrennen bij gevaar);
coördinatie van de psychische functies (bijvoorbeeld herinneren, je kunnen beheersen,
fantaseren).
Algemene werking zenuwstelsel:
sensorische input: het centrale zenuwstelsel ontvangt impulsen van sensoren die prikkels
hebben waargenomen en ze vervolgens omgezet hebben in impulsen;
verwerking: de sensorische input wordt naar een specifiek deel van de hersenen gestuurd en
daar beoordeeld; de hersenen bepalen vervolgens of er op moet worden gereageerd;
motorische output: er gaan impulsen vanuit de hersenen naar de organen (effectoren =
spieren en klieren) die de eventuele reactie(s) moeten uitvoeren.
Anatomische indeling:
Het centrale zenuwstelsel:
ligt binnen de beschermende botten van de schedel en de wervelkolom;
bestaat uit de hersenen (98% van zenuwstelsel) en het ruggenmerg.
De delen van de hersenen zijn: grote hersenen, tussenhersenen, hersenstam en kleine hersenen.
Het perifere zenuwstelsel:
ligt grotendeels buiten de schedel en de wervelkolom;
verbindt het centraal zenuwstelsel met de organen;
bestaat uit de hersenzenuwen, de ruggenmergszenuwen, de grensstreng en de zenuwen van
het vegetatieve zenuwstelsel.
De fysiologische indeling gebeurt op basis van de functie van het zenuwstelsel. Drie aspecten hierbij
zijn: integratie, hiërarchie en richting van het signaal.
Het vegetatieve zenuwstelsel:
verzorgt de integratie van de vegetatieve stelsels;
werkt autonoom (onwillekeurig), buiten de wil om;
1
, bestaat uit twee delen met een antagonistische werking: het sympathische zenuwstelsel
(actief bij actie van het lichaam) en het parasympathische zenuwstelsel (actief bij rust van het
lichaam).
Het animale zenuwstelsel:
verzorgt de integratie tussen lichaam en omgeving door middel van communicatie en gedrag;
werkt willekeurig, onder invloed van de wil.
Wat betreft functie is er een zekere mate van hiërarchie in het zenuwstelsel. De hersenen zijn de
‘baas’; zij regelen het bewustzijn en laten het lichaam al of niet reageren.
Op basis van de richting van het signaal (de impulsen) onderscheiden we:
afferente (aanvoerende) informatie, verloopt via sensibele zenuwbanen in de richting van de
grote hersenen;
efferente (afvoerende) informatie, verloopt via motorische zenuwbanen in de richting van de
periferie;
korte zenuwbanen, zijn niet efferent of afferent maar verzorgen schakelingen binnen het
CZS.
Zenuwweefsel:
Zenuwweefsel bestaat uit twee soorten cellen: neuronen (zenuwcellen) en neuroglia (steuncellen)
Neuronen
De zenuwcel (neuron) heeft een relatief groot cellichaam met veel dunne zenuwvezels.
Er zijn twee typen zenuwvezels:
de axon, één − vaak lange − zenuwvezel die impulsen van het cellichaam af vervoert; heeft
een omhulling van myeline (myelineschede) die regelmatig onderbroken is (insnoeringen van
Ranvier);
de dendrieten, meerdere − meestal korte en sterk vertakte − zenuwvezels die impulsen naar
het cellichaam toe vervoeren.
De drie soorten zenuwcellen zijn:
sensibele zenuwcellen, vervoeren impulsen vanaf de sensoren naar het CZS (afferent);
schakelcellen (interneuronen), dragen impulsen over van de ene op de andere zenuwcel;
motorische zenuwcellen, vervoeren impulsen vanuit het CZS naar de periferie (efferent).
Neuroglia
Steuncellen (neuroglia) verzorgen, ondersteunen en beschermen het zenuwweefsel en bestaan uit
vijf typen gliacellen: astrocyten, oligodendrocyten, microgliocyten, ependymcellen en schwanncellen.
Astrocyten:
komen alleen in het CZS voor;
zijn ongeveer even groot als zenuwcellen;
2
, vormen met celuitlopers verbindingen tussen bloedcapillairen en de zenuwcel;
zorgen via deze celuitlopers voor uitwisseling van voedingsstoffen en afvalstoffen;
fagocyteren dode en beschadigde zenuwcellen;
fungeren mogelijk als stamcellen voor nieuwe zenuwcellen.
Oligodendrocyten:
komen alleen in het CZS voor;
zijn relatief klein;
vormen met ongeveer 50 uitlopers evenzoveel myelineschedes rondom nabijgelegen axonen
(myeline is een witgekleurde, vettige stof);
beschermen hiermee de axonen.
Microgliocyten:
komen alleen in het CZS voor;
zijn erg klein;
kunnen zich door het zenuwweefsel bewegen;
ruimen beschadigde cellen, lichaamsvreemde stoffen en micro-organismen op.
Ependymcellen:
komen alleen in het CZS voor;
vormen de bekleding van de hersenholtes;
zijn epitheelachtige cellen met trilharen;
produceren hersenvocht;
spelen een rol bij de circulatie van hersenvocht.
Schwanncellen:
komen alleen in het PZS voor;
vormen myelineschedes rondom axonen;
hebben een verzorgende en beschermende functie;
spelen een rol bij de impulsgeleiding.
Grijze en witte stof:
Grijze stof ontstaat doordat daar de cellichamen van de neuronen liggen en de witte stof ontstaat,
doordat daar alle uitlopers van de neuronen liggen die wit zijn door een vetachtige stof.
Grijze stof: schakelcentra , hier gebeurt ‘het’
Witte stof: verbindingen tussen de schakelcentra
Membraanpotentiaal, impulsopwekking en impulsoverdracht
3
, Lichaamscellen vertonen een membraanpotentiaal. Dat is een elektrisch spanningsverschil tussen de
buiten- en binnenkant van de celmembraan, doordat de binnenkant van de cel negatief geladen is
ten opzichte van de buitenkant.
Zenuwcellen in rust hebben een membraanpotentiaal van −70 millivolt (mV); dit is de rustpotentiaal,
gehandhaafd door de enzymatische kalium/natrium-pomp en doordat de celmembraan selectief
geladen deeltjes doorlaat.
Zenuwcellen zijn gevoelig voor prikkels. Een prikkel veroorzaakt een actiepotentiaal: de
rustpotentiaal verandert in een fractie van een seconde van −70 mV naar + 30 mV. Hierdoor ontstaat
een stroomstootje; dat is de impuls.
De impuls wekt een nieuwe actiepotentiaal in het volgende stukje celmembraan op. De verplaatsing
van de actiepotentiaal over de celmembraan wordt impulsgeleiding genoemd.
De taak van een zenuwcel is het vervoeren en overdragen van impulsen op andere cellen; dat
kunnen zenuw-, spier- of kliercellen zijn. De impulsoverdracht gebeurt via de synaps.
Grote hersenen:
De grote hersenen (cerebrum) bestaan uit twee hemisferen, met daartussen een diepe spleet, de
fissura longitudinalis. De delen van een hemisfeer zijn: voorhoofdskwab (lobus frontalis, frontale
kwab), wandbeenkwab (lobus parietalis, pariëtale kwab), slaapbeenkwab (lobus temporalis,
temporale kwab) en achterhoofdskwab (lobus occipitalis, occipitale kwab).
Functioneel zijn de grote hersenen te verdelen in de medulla (merg) binnenin en cortex (schors) aan
de buitenkant.
Overige structuren in de grote hersenen zijn:
zijventrikels, één in elke hemisfeer;
basale ganglia, maken deel uit van het piramidale systeem;
capsula interna, een breed uitwaaierende band van efferente en afferente banen.
Functie
De motorische schorsgebieden zorgen voor de willekeurige bewegingen. De primaire motorische
schors zet de skeletspieren aan tot eenvoudige bewegingen. De secundaire motorische schors
(premotorische schors) regelt gecompliceerde bewegingen (zoals pianospelen, schrijven). Hier ligt
ook het brocacentrum (motorisch spraakcentrum); het stuurt de spieren aan die bij spreken
betrokken zijn. Het brocacentrum komt maar in één hemisfeer voor; bij rechtshandigen is dat
meestal de linkerhemisfeer.
In de primaire sensorische schorsgebieden vindt gewaarwording van de zintuiglijke prikkels plaats.
Duidelijk afgegrensde gebieden zijn:
primaire sensorische schors, ontvangt sensorische informatie van de huidzintuigen
(sensibiliteit) en de propriosensoren (bewegingsgevoel);
smaakcortex, ontvangt informatie uit de smaaksensoren;
olfactorische cortex, , ontvangt informatie uit de reuksensoren;
primaire auditieve schors, ontvangt informatie uit de gehoorzintuigen;
4
Week 1
De algemene functies van het zenuwstelsel zijn:
ervoor zorgen dat organen in hun werking goed op elkaar afgestemd zijn zodra het lichaam in
actie komt (bijvoorbeeld fietsen, praten);
regulatie en coördinatie van de werking van de vegetatieve stelsels (bijvoorbeeld
spijsvertering, ademhaling);
het bewust kunnen reageren op wat er om je heen gebeurt, door verwerking van de
waarnemingen (bijvoorbeeld hard wegrennen bij gevaar);
coördinatie van de psychische functies (bijvoorbeeld herinneren, je kunnen beheersen,
fantaseren).
Algemene werking zenuwstelsel:
sensorische input: het centrale zenuwstelsel ontvangt impulsen van sensoren die prikkels
hebben waargenomen en ze vervolgens omgezet hebben in impulsen;
verwerking: de sensorische input wordt naar een specifiek deel van de hersenen gestuurd en
daar beoordeeld; de hersenen bepalen vervolgens of er op moet worden gereageerd;
motorische output: er gaan impulsen vanuit de hersenen naar de organen (effectoren =
spieren en klieren) die de eventuele reactie(s) moeten uitvoeren.
Anatomische indeling:
Het centrale zenuwstelsel:
ligt binnen de beschermende botten van de schedel en de wervelkolom;
bestaat uit de hersenen (98% van zenuwstelsel) en het ruggenmerg.
De delen van de hersenen zijn: grote hersenen, tussenhersenen, hersenstam en kleine hersenen.
Het perifere zenuwstelsel:
ligt grotendeels buiten de schedel en de wervelkolom;
verbindt het centraal zenuwstelsel met de organen;
bestaat uit de hersenzenuwen, de ruggenmergszenuwen, de grensstreng en de zenuwen van
het vegetatieve zenuwstelsel.
De fysiologische indeling gebeurt op basis van de functie van het zenuwstelsel. Drie aspecten hierbij
zijn: integratie, hiërarchie en richting van het signaal.
Het vegetatieve zenuwstelsel:
verzorgt de integratie van de vegetatieve stelsels;
werkt autonoom (onwillekeurig), buiten de wil om;
1
, bestaat uit twee delen met een antagonistische werking: het sympathische zenuwstelsel
(actief bij actie van het lichaam) en het parasympathische zenuwstelsel (actief bij rust van het
lichaam).
Het animale zenuwstelsel:
verzorgt de integratie tussen lichaam en omgeving door middel van communicatie en gedrag;
werkt willekeurig, onder invloed van de wil.
Wat betreft functie is er een zekere mate van hiërarchie in het zenuwstelsel. De hersenen zijn de
‘baas’; zij regelen het bewustzijn en laten het lichaam al of niet reageren.
Op basis van de richting van het signaal (de impulsen) onderscheiden we:
afferente (aanvoerende) informatie, verloopt via sensibele zenuwbanen in de richting van de
grote hersenen;
efferente (afvoerende) informatie, verloopt via motorische zenuwbanen in de richting van de
periferie;
korte zenuwbanen, zijn niet efferent of afferent maar verzorgen schakelingen binnen het
CZS.
Zenuwweefsel:
Zenuwweefsel bestaat uit twee soorten cellen: neuronen (zenuwcellen) en neuroglia (steuncellen)
Neuronen
De zenuwcel (neuron) heeft een relatief groot cellichaam met veel dunne zenuwvezels.
Er zijn twee typen zenuwvezels:
de axon, één − vaak lange − zenuwvezel die impulsen van het cellichaam af vervoert; heeft
een omhulling van myeline (myelineschede) die regelmatig onderbroken is (insnoeringen van
Ranvier);
de dendrieten, meerdere − meestal korte en sterk vertakte − zenuwvezels die impulsen naar
het cellichaam toe vervoeren.
De drie soorten zenuwcellen zijn:
sensibele zenuwcellen, vervoeren impulsen vanaf de sensoren naar het CZS (afferent);
schakelcellen (interneuronen), dragen impulsen over van de ene op de andere zenuwcel;
motorische zenuwcellen, vervoeren impulsen vanuit het CZS naar de periferie (efferent).
Neuroglia
Steuncellen (neuroglia) verzorgen, ondersteunen en beschermen het zenuwweefsel en bestaan uit
vijf typen gliacellen: astrocyten, oligodendrocyten, microgliocyten, ependymcellen en schwanncellen.
Astrocyten:
komen alleen in het CZS voor;
zijn ongeveer even groot als zenuwcellen;
2
, vormen met celuitlopers verbindingen tussen bloedcapillairen en de zenuwcel;
zorgen via deze celuitlopers voor uitwisseling van voedingsstoffen en afvalstoffen;
fagocyteren dode en beschadigde zenuwcellen;
fungeren mogelijk als stamcellen voor nieuwe zenuwcellen.
Oligodendrocyten:
komen alleen in het CZS voor;
zijn relatief klein;
vormen met ongeveer 50 uitlopers evenzoveel myelineschedes rondom nabijgelegen axonen
(myeline is een witgekleurde, vettige stof);
beschermen hiermee de axonen.
Microgliocyten:
komen alleen in het CZS voor;
zijn erg klein;
kunnen zich door het zenuwweefsel bewegen;
ruimen beschadigde cellen, lichaamsvreemde stoffen en micro-organismen op.
Ependymcellen:
komen alleen in het CZS voor;
vormen de bekleding van de hersenholtes;
zijn epitheelachtige cellen met trilharen;
produceren hersenvocht;
spelen een rol bij de circulatie van hersenvocht.
Schwanncellen:
komen alleen in het PZS voor;
vormen myelineschedes rondom axonen;
hebben een verzorgende en beschermende functie;
spelen een rol bij de impulsgeleiding.
Grijze en witte stof:
Grijze stof ontstaat doordat daar de cellichamen van de neuronen liggen en de witte stof ontstaat,
doordat daar alle uitlopers van de neuronen liggen die wit zijn door een vetachtige stof.
Grijze stof: schakelcentra , hier gebeurt ‘het’
Witte stof: verbindingen tussen de schakelcentra
Membraanpotentiaal, impulsopwekking en impulsoverdracht
3
, Lichaamscellen vertonen een membraanpotentiaal. Dat is een elektrisch spanningsverschil tussen de
buiten- en binnenkant van de celmembraan, doordat de binnenkant van de cel negatief geladen is
ten opzichte van de buitenkant.
Zenuwcellen in rust hebben een membraanpotentiaal van −70 millivolt (mV); dit is de rustpotentiaal,
gehandhaafd door de enzymatische kalium/natrium-pomp en doordat de celmembraan selectief
geladen deeltjes doorlaat.
Zenuwcellen zijn gevoelig voor prikkels. Een prikkel veroorzaakt een actiepotentiaal: de
rustpotentiaal verandert in een fractie van een seconde van −70 mV naar + 30 mV. Hierdoor ontstaat
een stroomstootje; dat is de impuls.
De impuls wekt een nieuwe actiepotentiaal in het volgende stukje celmembraan op. De verplaatsing
van de actiepotentiaal over de celmembraan wordt impulsgeleiding genoemd.
De taak van een zenuwcel is het vervoeren en overdragen van impulsen op andere cellen; dat
kunnen zenuw-, spier- of kliercellen zijn. De impulsoverdracht gebeurt via de synaps.
Grote hersenen:
De grote hersenen (cerebrum) bestaan uit twee hemisferen, met daartussen een diepe spleet, de
fissura longitudinalis. De delen van een hemisfeer zijn: voorhoofdskwab (lobus frontalis, frontale
kwab), wandbeenkwab (lobus parietalis, pariëtale kwab), slaapbeenkwab (lobus temporalis,
temporale kwab) en achterhoofdskwab (lobus occipitalis, occipitale kwab).
Functioneel zijn de grote hersenen te verdelen in de medulla (merg) binnenin en cortex (schors) aan
de buitenkant.
Overige structuren in de grote hersenen zijn:
zijventrikels, één in elke hemisfeer;
basale ganglia, maken deel uit van het piramidale systeem;
capsula interna, een breed uitwaaierende band van efferente en afferente banen.
Functie
De motorische schorsgebieden zorgen voor de willekeurige bewegingen. De primaire motorische
schors zet de skeletspieren aan tot eenvoudige bewegingen. De secundaire motorische schors
(premotorische schors) regelt gecompliceerde bewegingen (zoals pianospelen, schrijven). Hier ligt
ook het brocacentrum (motorisch spraakcentrum); het stuurt de spieren aan die bij spreken
betrokken zijn. Het brocacentrum komt maar in één hemisfeer voor; bij rechtshandigen is dat
meestal de linkerhemisfeer.
In de primaire sensorische schorsgebieden vindt gewaarwording van de zintuiglijke prikkels plaats.
Duidelijk afgegrensde gebieden zijn:
primaire sensorische schors, ontvangt sensorische informatie van de huidzintuigen
(sensibiliteit) en de propriosensoren (bewegingsgevoel);
smaakcortex, ontvangt informatie uit de smaaksensoren;
olfactorische cortex, , ontvangt informatie uit de reuksensoren;
primaire auditieve schors, ontvangt informatie uit de gehoorzintuigen;
4