1
Sociale Psychologie
Hoofdstuk 1: inleiding tot de sociale psychologie
sociale psychologie over het -individu in de groep
-individu in belang van de situatie
vergelijkingen:
- binnen personen
- tussen personen
- binnen groepen
- tussen groepen
3 aspecten
Gedrag - cognitie (wat denk je) - affect (emoties) → onafhankelijk of beïnvloedbaar
Waar gaat het met name over?
Sociologie: gemiddelde van een groep
Sociale psychologie: persoonlijkheid/individu begrijpen in context groep en situatie
Persoonlijkheidspsychologie: individuele verschillen
4 perspectieven:
- evolutionair perspectief: sociaal gedrag bepaald door biologische factoren die
helpen overleven, genen doorgeven, reproduceren.
- sociaal cultureel perspectief: sociale normen in cultuur (bv.
katholieken-protestanten)
- sociaal leren perspectief: behaviorisme, straffen & belonen van gedrag
- sociaal cognitief perspectief: sociaal gedrag beïnvloed door subjectieve
interpretatie van de wereld, wat ervaart iemand.
basis principes:
a) Sociaal gedrag is doelgericht: mensen doen iets om iets voor elkaar te krijgen.
Doelen zijn hiërarchisch (vandaag-semester-carriere-leven)
Doel is lokaal, motief algemeen
Motieven volgens Aronson
- behoefte wereld accuraat waarnemen
- behoefte positief zelfbeeld (belangrijkst)
- behoefte controle
- liefde, goedkeuring
- biologische drijfveren (honger)
Wat drijft de mens:
-> doelen en motieven sturen gedrag: kost moeite: wilskracht
soms falen we: bv. onderdrukken van gedachte, denk je juist aan de gedachte.
, 2
b) Sociaal gedrag is een voortdurende interactie tussen persoon & situatie.
bv. Kurt Lewin
- Niemand reageert hetzelfde
- Mensen kiezen situaties (bv. agressief persoon kiest agressieve spelletjes,
agressieve spelletjes zorgen voor agressief gedrag)
- Mensen veranderen de situatie
- Verschillende situaties activeren verschillende aspecten van zelf.
- Elke situatie heeft verschillende facetten, sociaal motief actief afhankelijk van
welk aspect aandacht krijgt.
bv. Milgram
interpretatie van de situatie:
- Diffusion of responsibility
- pluralistic ignorance
Onderschatting van de situatie:
- Overjustification effect: onderschatting effect van beloning.
- correspondence bias: onderschatting van de rol van de situatie.
Achteraf is het makkelijk verklaren = Hindsight Bias
type variable in onderzoek:
● Onafhankelijke variabele: wat onderzoekers manipuleren of het een causaal effect
heeft. (het veroorzaakt iets)
● Afhankelijke variabele: wat onderzoekers meten om te zien of deze wordt beïnvloed.
Correlationeel (wat samenhangt) vs. experimenteel
- efficiëntie
- oorzaak en gevolg
- controle
→ correlatie is niet causaal.
* Comfound (oplossing: maar 1 variabele veranderen door Random Assignment
Experimenteel in het lab (controle) of in het veld (realisme)
Demand Charactaristics
mensen doen hun best om te onderzoeken welk onderzoek ze in zitten, wat de hypothese is.
Hoofdstuk 3 sociale cognitie: hoe we denken over sociale
wereld.
, 3
Aronson:
- automatische sociale cognitie (snel, aannames)
- gecontroleerd denken (meer weloverwogen)
→ soms samen.
Altijd 4 processen aan de gang, die elkaar altijd versterken, niet altijd bewust.
4 basisprocessen
1. Aandacht
● focussen op kenmerken van de omgeving/onszelf
bv. net een kind gekregen, ineens zie je heel veel kinderwagens
● aandacht is gelimiteerd.
2. Interpretatie
● betekenis geven aan de informatie
● situaties kunnen op meerdere manieren worden geïnterpreteerd.
bv. hoe kijk je naar een nieuwsuitzending vanuit jouw eigen mening.
in the eyes of the beholder
3. Oordeel
● gebruiken van informatie om indrukken te vormen en beslissingen te maken.
→ gokje maken
● door onvolledige informatie, wordt vaak gegist.
4. Geheugen
● het opslaan en terughalen van informatie
● in toekomst gebruik en kan beslissingen beïnvloeden
afhankelijk van de doelen Aronson:
● Zuinigheid
Bv. Laurel: Mentale zuinigheid
sociale wereld is complex, vereist snelle reactie + menselijke capaciteit is gelimiteerd
= Mentale Zuinigheid
→ simplificatie strategieen:
➔ Schema’s (script, stereotype, zelfschema)
- mentale structuur waarmee we kennis organiseren
- Script = schema over specifieke gebeurtenis (bv.
gedrag tijdens diner)
- Stereotype = schema over groep mensen (jong/oud)
- Zelf schema = de ideale zelf (wil ik) vs. de zou-moeten
zelf (verwachting anderen)
Helpen om ambiguïteit te reduceren, consequenties
voor (niet)ambigue informatie.
Priming: proces waarbij recente ervaringen de toegankelijkheid van een
schema vergroten.
Veel van priming studies repliceren niet.
Sociale Psychologie
Hoofdstuk 1: inleiding tot de sociale psychologie
sociale psychologie over het -individu in de groep
-individu in belang van de situatie
vergelijkingen:
- binnen personen
- tussen personen
- binnen groepen
- tussen groepen
3 aspecten
Gedrag - cognitie (wat denk je) - affect (emoties) → onafhankelijk of beïnvloedbaar
Waar gaat het met name over?
Sociologie: gemiddelde van een groep
Sociale psychologie: persoonlijkheid/individu begrijpen in context groep en situatie
Persoonlijkheidspsychologie: individuele verschillen
4 perspectieven:
- evolutionair perspectief: sociaal gedrag bepaald door biologische factoren die
helpen overleven, genen doorgeven, reproduceren.
- sociaal cultureel perspectief: sociale normen in cultuur (bv.
katholieken-protestanten)
- sociaal leren perspectief: behaviorisme, straffen & belonen van gedrag
- sociaal cognitief perspectief: sociaal gedrag beïnvloed door subjectieve
interpretatie van de wereld, wat ervaart iemand.
basis principes:
a) Sociaal gedrag is doelgericht: mensen doen iets om iets voor elkaar te krijgen.
Doelen zijn hiërarchisch (vandaag-semester-carriere-leven)
Doel is lokaal, motief algemeen
Motieven volgens Aronson
- behoefte wereld accuraat waarnemen
- behoefte positief zelfbeeld (belangrijkst)
- behoefte controle
- liefde, goedkeuring
- biologische drijfveren (honger)
Wat drijft de mens:
-> doelen en motieven sturen gedrag: kost moeite: wilskracht
soms falen we: bv. onderdrukken van gedachte, denk je juist aan de gedachte.
, 2
b) Sociaal gedrag is een voortdurende interactie tussen persoon & situatie.
bv. Kurt Lewin
- Niemand reageert hetzelfde
- Mensen kiezen situaties (bv. agressief persoon kiest agressieve spelletjes,
agressieve spelletjes zorgen voor agressief gedrag)
- Mensen veranderen de situatie
- Verschillende situaties activeren verschillende aspecten van zelf.
- Elke situatie heeft verschillende facetten, sociaal motief actief afhankelijk van
welk aspect aandacht krijgt.
bv. Milgram
interpretatie van de situatie:
- Diffusion of responsibility
- pluralistic ignorance
Onderschatting van de situatie:
- Overjustification effect: onderschatting effect van beloning.
- correspondence bias: onderschatting van de rol van de situatie.
Achteraf is het makkelijk verklaren = Hindsight Bias
type variable in onderzoek:
● Onafhankelijke variabele: wat onderzoekers manipuleren of het een causaal effect
heeft. (het veroorzaakt iets)
● Afhankelijke variabele: wat onderzoekers meten om te zien of deze wordt beïnvloed.
Correlationeel (wat samenhangt) vs. experimenteel
- efficiëntie
- oorzaak en gevolg
- controle
→ correlatie is niet causaal.
* Comfound (oplossing: maar 1 variabele veranderen door Random Assignment
Experimenteel in het lab (controle) of in het veld (realisme)
Demand Charactaristics
mensen doen hun best om te onderzoeken welk onderzoek ze in zitten, wat de hypothese is.
Hoofdstuk 3 sociale cognitie: hoe we denken over sociale
wereld.
, 3
Aronson:
- automatische sociale cognitie (snel, aannames)
- gecontroleerd denken (meer weloverwogen)
→ soms samen.
Altijd 4 processen aan de gang, die elkaar altijd versterken, niet altijd bewust.
4 basisprocessen
1. Aandacht
● focussen op kenmerken van de omgeving/onszelf
bv. net een kind gekregen, ineens zie je heel veel kinderwagens
● aandacht is gelimiteerd.
2. Interpretatie
● betekenis geven aan de informatie
● situaties kunnen op meerdere manieren worden geïnterpreteerd.
bv. hoe kijk je naar een nieuwsuitzending vanuit jouw eigen mening.
in the eyes of the beholder
3. Oordeel
● gebruiken van informatie om indrukken te vormen en beslissingen te maken.
→ gokje maken
● door onvolledige informatie, wordt vaak gegist.
4. Geheugen
● het opslaan en terughalen van informatie
● in toekomst gebruik en kan beslissingen beïnvloeden
afhankelijk van de doelen Aronson:
● Zuinigheid
Bv. Laurel: Mentale zuinigheid
sociale wereld is complex, vereist snelle reactie + menselijke capaciteit is gelimiteerd
= Mentale Zuinigheid
→ simplificatie strategieen:
➔ Schema’s (script, stereotype, zelfschema)
- mentale structuur waarmee we kennis organiseren
- Script = schema over specifieke gebeurtenis (bv.
gedrag tijdens diner)
- Stereotype = schema over groep mensen (jong/oud)
- Zelf schema = de ideale zelf (wil ik) vs. de zou-moeten
zelf (verwachting anderen)
Helpen om ambiguïteit te reduceren, consequenties
voor (niet)ambigue informatie.
Priming: proces waarbij recente ervaringen de toegankelijkheid van een
schema vergroten.
Veel van priming studies repliceren niet.