Leren: het ontstaan of tot stand brengen van relatief duurzame veranderingen in kennis, houding en
vaardigheden en/of in het vermogen om te leren, door middel van het selecteren, opnemen,
verwerken, integreren, vastleggen, gebruiken van en betekenis geven aan informatie, zowel
individueel als collectief.
Intentioneel: leerling wil leren (niet al het formeel leren is dus intentioneel leren)
Incidenteel: leerkracht stelt doel
Formeel: o.l.v. leerkracht
Informeel: niet o.l.v. leerkracht
Declaratieve kennis feiten, betekenis, regels, en definities (what, why)
Procedurele kennis Handelingen of vaardigheden die volgens bepaalde regels / afspraken moeten
worden verricht om het gewenste resultaat te bereiken. (how)
Drie leersoorten
Cognitief leren: kennis opdoen
Memoriseren: geïsoleerde kennis letterlijk reproduceren (lied, woordjes, formule)
Feitenkennis: kennis in samenhang (bijv. topografie / jaartallen)
Automatismen: procedures
Inzicht: oplossing voor een probleem vinden.
Sociaal-affectief leren: gevoelens
Ontwikkelen van emoties.
Psychomotorisch leren: automatismen
Automatismen door veelvuldig oefenen
Twee leerstijlen
Kolb – Learning Style Inventory
Dromer een concrete situatie wordt overdacht (divergente leerstijl)
Doener uitproberen / experimenteren (uitvoerende leerstijl)
Denker logisch denken en redeneren – veralgemeniseerd (assimilerende leerstijl)
Beslisser plannen en uitvoeren (convergente leerstijl)
Vermunt
Reproductieve stijl: toets gericht > kennen + herhalen (scoren – tips – memoriseren)
Betekenisgerichte stijl: persoonlijke interesse > het willen snappen
Toepassingsgerichte stijl: praktische bruikbaarheid > zelf kennis opbouwen (persoonlijke
interesse - kritisch)
Ongerichte stijl: waarom en hoe van leren is onbekend > gestimuleerd door anderen
(onzekerheid)
, Behaviorisme
Vormt basisprincipe voor het huidige onderwijs.
Tabula rasa mens is een blanco blad.
Pavlov (grondlegger)
- Klassieke conditioneren
stimulus (externe prikkel) > respons (waarneembare reactie)
Dier krijgt prikkels van buitenaf.
Dier leert welke prikkels betekenis hebben (geconditioneerde emotionele reacties:
angst, welbevinden)
Operante conditionering (Thorndike): consequentie bepaalt het resultaat.
bestaand gedrag belonen of verzwakken. (stimulus is ondergeschikt)
Het gaat om de selectie van de juiste reactie, als gevolg van een bepaalde prikkel.
Gedrag dat geregeld wordt beloond, wordt vaker uitgeoefend.
Watson
Gecontroleerde laboratoriumexperimenten
Onderzoeksobject: gedrag van dieren
Erg positivistische denkwijze
Thorndike:
‘Leren is het verkrijgen van associaties tussen zintuiglijke indrukken en gedragsimpulsen.’
(connectionisme)
Stimulus – respons ontstaat door selecting en connecting.
Skinner:
Experimenten in navolging van Thorndike.
Hij ging niet uit van een prikkel, maar van een bepaalde situatie.
Hoe krachtiger de leeromgeving, hoe waarschijnlijker dat het gewenste doel wordt bereikt.
Spontaan gedrag als uitgangspunt = operant gedrag.
Skinnerbox (hongerige duiven): onderwijsvorm o.b.v. ‘wet van het effect’
Belangrijkste toepassingsprincipes:
- Beloon gewenst gedrag
- Negeer ongewenst gedrag (gedrag zal uitdoven)
- Straf helpt alleen om gedrag te stoppen, je leert er verder weinig van.
Bandura
sociale leertheorie: samen leren.
Observationeel leren: samen leren
- Verwervingsfase: leren door te kijken hoe anderen iets doen.
- Uitvoeringsfase: imiteren
Belonen bij voorkeur
- af en toe
- direct
- optimaal (niet groot en klein)