Colleges: Module-LKZ104 Mariene diversiteit - Introductiepagina (sharepoint.com)
HC7 - Voortplanting
• Je kunt nu verschillende vormen van voortplanting uitleggen en voor/nadelen aangeven
• Mitose (celdeling) en meiose (vorming van voortplantingscellen) uitleggen
• Uitleggen dat er verschil is tussen het genotype en fenotype
• Simpel kruisingsschema kunnen maken
• Hoofdstuk 45 en 12-14
Hoorcollege
Aseksueel:
- snelle toename nageslacht
- geen partner nodig
- weinig genetische diversiteit
Seksueel:
- partner nodig (wel keuzemogelijkheid)
- veel genetische diversiteit, dus handig bij natuurlijke selectie in dynamische omgeving.
- recombinatie van genen
Ovipaar = eierleggend. Vissen.
Ovivipaar = eierlevendbarend: eieren worden in het lichaam van de moeder bevrucht en uitgebroed
en levend geboren. Haaien, tweekleppigen.
Vivipaar = levendbarend. Zoogdieren.
r-strategie: snel en veel, weinig investering in nakomelingen
K-strategie: weinig en langzaam, veel investering in individuele nakomelingen
Meiose = reductiedeling (van diploïde naar haploïde).
Gametogenese = vorming van voortplantingscellen (d.m.v. meiose).
Bij mannetjes ontstaan er uit een spermatogonium twee spermatocyten, daaruit ontstaan weer twee
spermatieden. De genetische informatie wordt dus gelijk verdeeld.
Bij vrouwtjes ontstaat er één oöcyt en een ‘polar body’, uit die oöcyt ontstaat er een oötied en weer
een polar body; uit de polar body ontstaan er twee polar bodies. Alleen de oötied differentieert in
een eicel.
Mitose = gewone celdeling, de dochtercel is identiek.
Haploïd: helft van de chromosomen (1n), diploïd: volledige set chromosomen (2n), dat is bij
zoogdieren zo. De voortplantingscellen zijn wel haploïd. Als twee voortplantingscellen versmelten
komen 2 chromosomen bij elkaar en is de ontstane cel weer diploïd.
Twee X-chromosomen (één van vader, altijd één van moeder): je bent een meisje.
Eén X-chromosoom en één Y-chromosoom (van vader): je bent een jongen.
, Op chromosomen liggen allelen.
Een gen codeert voor een eigenschap (bijv. kleur van een bloem), een allel geeft informatie over die
eigenschap: alle variaties (bijv. paars). Genotype = verzameling van genen. Fenotype = wat je ziet
(welke variatie) aan de buitenkant (info van allelen).
Homoloog: 2 chromosomen (een paar).
Homozygoot chromosomenpaar: als de informatie (allelen) op alle twee de chromosomen gelijk is.
Heterozygoot: bijv. één chromosoom heeft een allel voor paars, de andere voor wit.
Het ene allel kan dominant zijn, waardoor bijv. de meeste bloemen paars zijn (hoewel ze zowel een
allel voor wit als paars hebben). Het allel voor wit is dan recessief.
Monohybride kruising = je kijkt naar één eigenschap, bijv. alleen kleur en niet lengte van de stengel.
Als je twee ouderplanten hebt en die verschillen zowel in kleur als in vorm van elkaar (bijv. moeder
paars en lang en vader wit en kort), spreek je over een dihybride kruising.
Mitose en meiose: filmpjes kijken. Belangrijk: meiose -> je krijgt één chromosomenpaar.
P-generatie = ouders, F1 = 1e generatie, F2 = 2e generatie.
Binnen de P-generatie kunnen verschillen worden aangegeven met P en p. Paarse bloemen zijn bijv.
PP (dominant) en witte bloemen pp (recessief). PP en pp = homozygoot, Pp = heterozygoot.
Q q
Q QQ (paars) Qq (paars)
q Qq (paars qq wit
P generatie: QQ met qq
F1 generatie: allemaal Qq
F2 generatie: 25% QQ, 50% Qq, 25% qq (genotype); 75% paars en 25% wit (fenotype).