Organisme→
orgaansysteem→orgaan→weefsel→cel.
Orgaan= kan uit meerdere weefsels bestaan,
welke wordt gevormd door een grote
hoeveelheid cellen.
De cel:
1. Cytoplasma.
2. Endoplasmatisch reticulum.
3. Ribosoom op het endoplasmatisch
reticulum.
4. Lysosoom.
5. Golgi-apparaat.
6. Mitochondriën.
7. Celkern met chromosomen.
De fasen van de celdeling:
1. Cel heeft chromosomen gedupliceerd
in voorbereiding op mitose.
2. Profase.
3. Metafase.
4. Metafase.
5. Anafase.
6. Anafase.
7. Telofase.
8. Telofase.
Epitheel:
Eenlagig epitheel (dekweefsel).
Bedekt lichaamsoppervlak en de binnenkant
van sommige organen. Cellen liggen dicht bij
elkaar en er is dus weinig tussencelstof.
Epitheel kan bestaan uit een cellaag of
meerdere lagen op elkaar.
Denk aan huid, binnenbekleding (slijmvlies)
mond, darmkanaal, blaas en geslachtsweg.
,Bindweefsel:
1. Cel met celkern.
2. Collageen vezel.
3. Reticuline vezel.
4. Elastine vezel.
5. Vetcel.
6. Tussencelstof.
- Losmatig bindweefsel.
- Collageen (‘straf’) bindweefsel.
- Elastisch bindweefsel.
Kraakbeenweefsel:
1. Cel.
2. Tussencelstof met collagene vezels.
Kraakbeensoorten:
- Hyalien kraakbeen.
- Elastisch kraakbeen.
- Fibreus kraakbeen.
Bloed:
1. Rode bloedcellen (erytrocyten).
2. Verschillende typen witten
bloedcellen (leukocyten).
3. Bloedplaatsjes (trombocyten).
4. Tussencelstof (bloedplasma).
- Maken van bloedcellen=
hematopoëse.
- Bloedcellen: gemaakt in beenmerg.
- Elke soort heeft een eigen stamcel.
Opbouw van de verschillende types
spierweefsels:
1. Celkern.
2. Dwarsgestreepte vezels.
3. Tussencelstof.
4. Glad spierweefsel (orgaanspier).
5. Hartspierweefsel.
6. Dwarsgestreept spierweefsel
(skeletspier).
, Zenuwcel (neuronen):
1. De kern.
2. Celllichaam.
3. Dendriet.
4. Myelineschede.
5. Axon.
- Zenuwcel bestaat uit cellichaam,
waarin de kern ligt en uitlopers:
dendrieten en axonen.
Schematische weergave van het centrale en
perifere zenuwstelsel.
1. Grote hersenen.
2. Kleine hersenen.
3. Hersenstam.
4. Ruggenmerg.
5. Perifere zenuwstelsel.
Centrale zenuwstelsel: ruggenmerg+
hersenen.
De hersenen van een hond, van opzij, van
boven en van onderaf gezien.
Bestaan uit:
- Hersenstam.
- Grote hersenen (cerebrum).
- Kleine hersenen (cerebellum).
Doorsnede van het ruggenmerg met zijn
sensibele en motorische verbindingen.
1. Huidreceptor.
2. Sensibele zenuw.
3. Synaps.
4. Motorische zenuw.
5. Spier.
6. Ruggenmerg.
7. Dorsale hoorn.
8. Ventrale hoorn.