Colleges: Module-LKZ104 Mariene diversiteit - Introductiepagina (sharepoint.com)
HC4 – Chordata (gewervelden)
Hoofdstuk 34
Leerdoelen
Uitleggen:
Fylogenetische indeling chordata
Exploitatie chordata
Meest gebruikte onderzoeksmethodes
Benoemen:
Belangrijkste kenmerken chordata
Toepassen:
Mark-recapture methode
Hoorcollege met aanvullende informatie uit hoofdstuk 34
Fylogenetische indeling
Voorouder chordata: deuterostomia. Zustertaxon van echinoderma.
Cambrische explosie: plotseling ontstaan van hoge soorten-diversiteit. Chordata zijn in die periode in
soorten toegenomen en ontwikkeld.
Co-evolutie: als een predator een bepaald kenmerk ontwikkeld en een prooidier zich daarop
aanpast. Is een hypothese voor de oorzaak van de cambrische explosie. Een andere hypothese is de
stijging van de atmosferische zuurstof concentratie.
4 kenmerken chordata:
1. Chorda/notachord = ruggenmergstreng op minstens één moment in het leven. Is vaak een
flexibele, stevige structuur met een spieraanhechting.
2. Holle dorsale zenuw, vaak ontwikkeld tot hersenen en ruggenmerg
3. Kieuwbogen (bij mensen tijdens embryonaal stadium verdwenen). Gebruikt voor filter
feeding, gasuitwisseling of is de begin structuur van oor, hoofd en nek.
4. Gespierde post-anale staart (ook vaak alleen in het larvaal of embryonaal stadium
aanwezig).
Verschil chordata en vertebraten:
Uit de voorouder ‘deuterostome’ zijn twee groepen voortgekomen, de echinodermata (bijv.
zeesterren) en een groep die een notochord ontwikkeld heeft. Daaruit zijn ook twee groepen
ontstaan: de cephalochordata en nog een groep. Uit die groep zijn de urochordata (bijv. tunicates)
ontstaan en een andere groep die vertebrae (vertebrates/gewervelden) ontwikkelt heeft.
Soorten chordata:
1. Chepalochordata (lancetvisjes)
- meest primitieve chordata, maar nog steeds levend (“extant”).
- bezitten alle chordata-eigenschappen als een volwassene, dus ze zijn een ‘model-organisme’ van de
chordata.
2. Urochordata (manteldieren)
- alleen als larve herkenbaar als chordata, in het volwassen stadium alleen kieuwbogen (met in- en
uitstroomopening = ‘siphon’).
- hebben een mantel van eiwitten en koolhydraten (dus anders dan sponzen)
3. myxini (slijmprikken)
- kaakloze (rudimentair) gewervelden
- produceren slijm bij bedreiging
- aaseter