Samenvatting PSOV09 schriftelijk rapporteren en academisch schrijven
Academisch schrijven
Type schrijven
Associatief: tekst ontstaat al schrijven
Conceptueel: tekst ligt van tevoren al grotendeels vast
Fasen schrijfproces
1. Voorbereiden
o Opdracht verkennen: Onderwerp en doel bepalen
o Informatie verzamelen (bronnen)
o Centrale vraag formuleren
2. Structureren
o Hoofdstukken plannen, alinea’s indelen
3. Reviseren
o Herschrijven (schrappen en herformuleren)
o Feedback verwerken
4. Redigeren (eindredactie)
o In orde maken van de tekst: Grammatica, leestekens en inkorten
o Drukklaar maken
Doelgroep
Academici
Vakgenoten
Burgers/ leken
Scholieren/ kinderen
Aangepaste taal
Persoonlijk/ onpersoonlijk
Wetenschappelijk/ populariserend
Jargon/ vaktaal vermijden
Grote lijnen/ finesses
Objectief/ subjectief
Mogelijke tekstdoelen:
Beschrijven: beschrijving gebeurtenis of proces
Verklaren: Oorzaken geven
Betogen: Mening lezer beïnvloeden o.b.v. argumenten en conclusie
Adviseren: Opties aanraden o.b.v. argumenten en conclusie
Formuleren centrale vraag en subvragen
Iedere academische tekst behoeft een centrale vraag:
Onderzoeksvraag/ hoofdvraag/ probleemstelling
Centrale vraag:
Open vraag
Bondig en exact
Objectief
Enkelvoudig (een vraag per centrale vraag)
Onpersoonlijk = niet vanuit jezelf schrijven en met zo min mogelijk persoonlijke voornaamwoorden.
Coherentie
Samenhang:
, Tussen tekstdelen
Verbindings- en verwijswoorden
Herkenbare, logische structuur van zinnen, alinea’s en hoofdstukken
Doel: vlot kunnen lezen
Consistente toon en stijl:
Formeel/ informeel
Woordkeuze/ variaties
Let op: bij verschillende auteurs is afstemming nodig
Tekstopbouw: alinea’s
Een alinea brengt structuur aan in een tekst
Een alinea heeft een informatieve functie
Elke alinea behandelt één deelonderwerp. Bij elk nieuw onderwerp start je een nieuwe alinea. De
alinea start met een kernzin. Soms staat de kernzin helemaal aan het eind, maar voorkeur is eerste
zin. Cohesie aanbrengen in en tussen alinea’s doe je met verwijs- en verbindingswoorden.
Verbindingswoorden
Opsomming: En, noch… noch, bovendien, in de eerste/tweede/ derde plaats, ten eerste, ten
tweede, ten derde, ook verder, voorts, daar komt nog bij dat
Tegenstelling: Docht, maar, aan de ene kant- aan de andere kant, daarentegen, desondanks,
echter, enerzijds… anderzijds…, integendeel
Wetenschappelijke taal – actief versus passief
Actief (bedrijvende) en passieve (lijdende) zinnen
Passieve zinnen:
Zijn/worden + voltooid deelwoord
o Zijn = resultaat
o Worden = proces
Er kan de vervanging worden door een onbepaald onderwerp
Academisch schrijven
Type schrijven
Associatief: tekst ontstaat al schrijven
Conceptueel: tekst ligt van tevoren al grotendeels vast
Fasen schrijfproces
1. Voorbereiden
o Opdracht verkennen: Onderwerp en doel bepalen
o Informatie verzamelen (bronnen)
o Centrale vraag formuleren
2. Structureren
o Hoofdstukken plannen, alinea’s indelen
3. Reviseren
o Herschrijven (schrappen en herformuleren)
o Feedback verwerken
4. Redigeren (eindredactie)
o In orde maken van de tekst: Grammatica, leestekens en inkorten
o Drukklaar maken
Doelgroep
Academici
Vakgenoten
Burgers/ leken
Scholieren/ kinderen
Aangepaste taal
Persoonlijk/ onpersoonlijk
Wetenschappelijk/ populariserend
Jargon/ vaktaal vermijden
Grote lijnen/ finesses
Objectief/ subjectief
Mogelijke tekstdoelen:
Beschrijven: beschrijving gebeurtenis of proces
Verklaren: Oorzaken geven
Betogen: Mening lezer beïnvloeden o.b.v. argumenten en conclusie
Adviseren: Opties aanraden o.b.v. argumenten en conclusie
Formuleren centrale vraag en subvragen
Iedere academische tekst behoeft een centrale vraag:
Onderzoeksvraag/ hoofdvraag/ probleemstelling
Centrale vraag:
Open vraag
Bondig en exact
Objectief
Enkelvoudig (een vraag per centrale vraag)
Onpersoonlijk = niet vanuit jezelf schrijven en met zo min mogelijk persoonlijke voornaamwoorden.
Coherentie
Samenhang:
, Tussen tekstdelen
Verbindings- en verwijswoorden
Herkenbare, logische structuur van zinnen, alinea’s en hoofdstukken
Doel: vlot kunnen lezen
Consistente toon en stijl:
Formeel/ informeel
Woordkeuze/ variaties
Let op: bij verschillende auteurs is afstemming nodig
Tekstopbouw: alinea’s
Een alinea brengt structuur aan in een tekst
Een alinea heeft een informatieve functie
Elke alinea behandelt één deelonderwerp. Bij elk nieuw onderwerp start je een nieuwe alinea. De
alinea start met een kernzin. Soms staat de kernzin helemaal aan het eind, maar voorkeur is eerste
zin. Cohesie aanbrengen in en tussen alinea’s doe je met verwijs- en verbindingswoorden.
Verbindingswoorden
Opsomming: En, noch… noch, bovendien, in de eerste/tweede/ derde plaats, ten eerste, ten
tweede, ten derde, ook verder, voorts, daar komt nog bij dat
Tegenstelling: Docht, maar, aan de ene kant- aan de andere kant, daarentegen, desondanks,
echter, enerzijds… anderzijds…, integendeel
Wetenschappelijke taal – actief versus passief
Actief (bedrijvende) en passieve (lijdende) zinnen
Passieve zinnen:
Zijn/worden + voltooid deelwoord
o Zijn = resultaat
o Worden = proces
Er kan de vervanging worden door een onbepaald onderwerp