SAMENVATTING; INTERACTIEWIJZER – VERSTEGEN & LODEWIJKS
HOOFDSTUK 1 DE INTERACTIONELE THEORIE
1.2 Het model van Leary
Leary benadrukt de wederkerige beïnvloeding, het gedrag van A beïnvloedt B en de reactie van B beïnvloedt
weer A enzovoort.
Met behulp van de zes beoordelingscriteria kunnen de acht posities worden beschreven en van elkaar worden
onderscheiden:
A. Hoe omschrijft de persoon in kwestie met dat gedrag zichzelf op dat moment?
B. Hoe omschrijft hij daarmee de anderen?
C. Wat voor ‘voorstel’ gaat er van dat gedrag uit voor de relatie tussen hen?
D. Welke communicatiestijl gebruikt hij daarvoor?
E. Welke reactie van de anderen lokt dat uit?
F. Is het eerste gedrag van de persoon in kwestie functioneel of disfunctioneel?
1.4 Gepast en ongepast gedrag
Om te beoordelen hoe gepast of ongepast gedragspatronen van een kind zijn, moet steeds uitgegaan worden
van de situatie. De volgende criteria kunnen daarbij worden aangehouden:
- Ongepast is als het kind gevangen zit in een bepaalde gedragsstijl en niet kan variëren in gedragsstijlen
- Gepast wil ook zeggen dat het kind met een adequate gedragsintensiteit reageert op een situatie,
ongepast is als het kind in een gedragsstijl systematisch tekortschiet of overdrijft.
- Hoe doeltreffend is een bepaald gedrag van het kind in deze situatie, gedrag dat niet het gewenste
effect oproept is ongepast.
HOOFDSTUK 2 DE INTERACTIONELE THEORIE ALS DIAGNOSTIEK
2.3 Omgevingsreactie in termen van complementair en symmetrisch gedrag
In de systeemtheorie worden twee interacties uitgewerkt: complementaire interactie en een symmetrische
interactie. Het gaat dan om hoe de boodschap moet worden opgevat, hoe de relatie tot elkaar wordt
gedefinieerd.
HOOFDSTUK 1 DE INTERACTIONELE THEORIE
1.2 Het model van Leary
Leary benadrukt de wederkerige beïnvloeding, het gedrag van A beïnvloedt B en de reactie van B beïnvloedt
weer A enzovoort.
Met behulp van de zes beoordelingscriteria kunnen de acht posities worden beschreven en van elkaar worden
onderscheiden:
A. Hoe omschrijft de persoon in kwestie met dat gedrag zichzelf op dat moment?
B. Hoe omschrijft hij daarmee de anderen?
C. Wat voor ‘voorstel’ gaat er van dat gedrag uit voor de relatie tussen hen?
D. Welke communicatiestijl gebruikt hij daarvoor?
E. Welke reactie van de anderen lokt dat uit?
F. Is het eerste gedrag van de persoon in kwestie functioneel of disfunctioneel?
1.4 Gepast en ongepast gedrag
Om te beoordelen hoe gepast of ongepast gedragspatronen van een kind zijn, moet steeds uitgegaan worden
van de situatie. De volgende criteria kunnen daarbij worden aangehouden:
- Ongepast is als het kind gevangen zit in een bepaalde gedragsstijl en niet kan variëren in gedragsstijlen
- Gepast wil ook zeggen dat het kind met een adequate gedragsintensiteit reageert op een situatie,
ongepast is als het kind in een gedragsstijl systematisch tekortschiet of overdrijft.
- Hoe doeltreffend is een bepaald gedrag van het kind in deze situatie, gedrag dat niet het gewenste
effect oproept is ongepast.
HOOFDSTUK 2 DE INTERACTIONELE THEORIE ALS DIAGNOSTIEK
2.3 Omgevingsreactie in termen van complementair en symmetrisch gedrag
In de systeemtheorie worden twee interacties uitgewerkt: complementaire interactie en een symmetrische
interactie. Het gaat dan om hoe de boodschap moet worden opgevat, hoe de relatie tot elkaar wordt
gedefinieerd.