Samenvatting hoofdstuk 14 Chemie van het leven
§14.4 Koolhydraten zijn koolstofverbindingen met de algemene formule: C nH2mOm. Ze worden ook
wel sachariden of suikers genoemd en ze worden gevormd via fotosynthese.
Monosachariden zijn koolhydraten die meestal bestaan uit één ringvormige eenheid.
Monosachariden reageren zowel als oxidator als reductor. Wanneer een monosacharide een
aldehydegroep heeft is het een reductor en een oxidator. Heeft het een ketongroep kan het
uitsluitend reageren als oxidator.
Disachariden ontstaan als twee monosachariden met elkaar reageren. Dit verloopt via een
condensatiereactie, een reactie waarbij water ontstaat. Andersom kan een disachariden ook weer
twee monosachariden vormen. Dit is een hydrolyse reactie. Bij deze reacties reageren de OH-
groepen van beide monosachariden met elkaar en wordt hier H 2O afgesplitst.
Polysachariden worden gevormd uit heel veel monosacharidemoleculen. Dit verloopt via een
condensatiereactie. Formule hiervoor:
n monosacharidemolecuul (monosacharidemolecuul)n + (n-1) H2O.
De polysachariden kunnen biopolymeren zijn. Voorbeelden hiervan zijn cellulose, zetmeel en
glycogeen. De verschillen tussen deze moleculen, die allemaal zijn opgebouwd uit glucosemoleculen,
zit hem in de soort glucose. Cellulose wordt namelijk opgebouwd uit B-D-glucose en zetmeel en
glycogeen uit a-D-glucose.
Deze grote koolhydraten worden in het lichaam weer omgezet tot hun bouwstof, glucose. Zo kan het
lichaam ze opnemen en vervoeren door het lichaam.
§14.3 Oliën en vetten zijn esters van glycerol (propaan-1,2,3-triol) en vetzuren (carbonzuren met
lange koolwaterstofketens). Bij de vorming hiervan ontstaat water. Meestal zijn dit triglyceriden.
Vetzuren van triglyceriden bestaan altijd uit een even aantal C-atomen. Ook komt hier soms een
dubbele binding voor. Deze is dan altijd in de cis vorm. Vetzuren met één of meer dubbele bindingen
noem je onverzadigde vetzuren. Zonder een dubbele binding noem je ze verzadigde vetzuren
Verschil olie en vet:
- Vetten zijn vast bij kamertemperatuur. Dit komt omdat ze verzadigde vetzuren zijn. Bij
verzadigde vetzuren komt een regelmatig patroon voor. Hierdoor liggen de moleculen dicht
naast elkaar, is de vanderwaalsbinding sterk en is het smeltpunt hoog.
- Oliën zijn vloeibaar bij kamertemperatuur. Oliën zijn onverzadigde vetzuren. Hierdoor
hebben ze een onregelmatige vorm en is de afstand tussen de moleculen groter. De
vanderwaalsbinding is hierdoor zwakker en daardoor hebben oliën een lager smeltpunt.
Wanneer je aan oliën waterstof toevoegt. Kan de dubbele binding openbreken en kunnen aan beide
kanten waterstofatomen komen. Hierdoor stijgt het smeltpunt. Dit noem je harden.
De functies van vetten en oliën:
- Ze dienen als bouwstof.
- Ze dienen als brandstof.
- Ze vormen fosfolipiden die nodig zijn voor het vormen van membranen.
§14.4 Koolhydraten zijn koolstofverbindingen met de algemene formule: C nH2mOm. Ze worden ook
wel sachariden of suikers genoemd en ze worden gevormd via fotosynthese.
Monosachariden zijn koolhydraten die meestal bestaan uit één ringvormige eenheid.
Monosachariden reageren zowel als oxidator als reductor. Wanneer een monosacharide een
aldehydegroep heeft is het een reductor en een oxidator. Heeft het een ketongroep kan het
uitsluitend reageren als oxidator.
Disachariden ontstaan als twee monosachariden met elkaar reageren. Dit verloopt via een
condensatiereactie, een reactie waarbij water ontstaat. Andersom kan een disachariden ook weer
twee monosachariden vormen. Dit is een hydrolyse reactie. Bij deze reacties reageren de OH-
groepen van beide monosachariden met elkaar en wordt hier H 2O afgesplitst.
Polysachariden worden gevormd uit heel veel monosacharidemoleculen. Dit verloopt via een
condensatiereactie. Formule hiervoor:
n monosacharidemolecuul (monosacharidemolecuul)n + (n-1) H2O.
De polysachariden kunnen biopolymeren zijn. Voorbeelden hiervan zijn cellulose, zetmeel en
glycogeen. De verschillen tussen deze moleculen, die allemaal zijn opgebouwd uit glucosemoleculen,
zit hem in de soort glucose. Cellulose wordt namelijk opgebouwd uit B-D-glucose en zetmeel en
glycogeen uit a-D-glucose.
Deze grote koolhydraten worden in het lichaam weer omgezet tot hun bouwstof, glucose. Zo kan het
lichaam ze opnemen en vervoeren door het lichaam.
§14.3 Oliën en vetten zijn esters van glycerol (propaan-1,2,3-triol) en vetzuren (carbonzuren met
lange koolwaterstofketens). Bij de vorming hiervan ontstaat water. Meestal zijn dit triglyceriden.
Vetzuren van triglyceriden bestaan altijd uit een even aantal C-atomen. Ook komt hier soms een
dubbele binding voor. Deze is dan altijd in de cis vorm. Vetzuren met één of meer dubbele bindingen
noem je onverzadigde vetzuren. Zonder een dubbele binding noem je ze verzadigde vetzuren
Verschil olie en vet:
- Vetten zijn vast bij kamertemperatuur. Dit komt omdat ze verzadigde vetzuren zijn. Bij
verzadigde vetzuren komt een regelmatig patroon voor. Hierdoor liggen de moleculen dicht
naast elkaar, is de vanderwaalsbinding sterk en is het smeltpunt hoog.
- Oliën zijn vloeibaar bij kamertemperatuur. Oliën zijn onverzadigde vetzuren. Hierdoor
hebben ze een onregelmatige vorm en is de afstand tussen de moleculen groter. De
vanderwaalsbinding is hierdoor zwakker en daardoor hebben oliën een lager smeltpunt.
Wanneer je aan oliën waterstof toevoegt. Kan de dubbele binding openbreken en kunnen aan beide
kanten waterstofatomen komen. Hierdoor stijgt het smeltpunt. Dit noem je harden.
De functies van vetten en oliën:
- Ze dienen als bouwstof.
- Ze dienen als brandstof.
- Ze vormen fosfolipiden die nodig zijn voor het vormen van membranen.