Factoren van invloed op de populatiegrootte
● beperkende factoren bepalen de grootte van de verschillende populaties in een
gebied. De opheffing van de beperkende factor vergroot de draagkracht van het
ecosysteem; door voldoende voedsel, schuil- en nestplaatsen blijft een populatie
jarenlang op peil.
● veranderende (a)biotische factoren leiden tot populatiedynamiek.
● verstoring = een snelle verandering met langdurige invloed op de populatiegrootte.
● een ecosysteem is afgegrensd gebied met complexe biotische en abiotische relaties
○ biotische factoren = factoren uit de levende natuur (bv veel of juist weinig
konijnen die de omstandigheden beïnvloeden)
○ abiotische factoren = factoren uit de niet-levende natuur (bv droogte,
overstroming)
● producenten en consumenten zijn verbonden in voedselketens tot een voedselweb
○ elke voedselketen begint bij producenten: planten
○ reducenten zijn afbrekers (saprovoren): schimmels / bacteriën
○ consumenten: dieren
● in een natuurlijk ecosysteem leidt overbegrazing tot verstoring
● voedselketen = reeks van organismen die elkaar opeten
● voedselweb = in een voedselweb lopen meerdere voedselketens door elkaar heen.
● draagkracht van een ecosysteem = de maximale populatiegrootte die een gebied
gedurende lange tijd kan onderhouden
● populatiedynamiek = schommelingen in de populatiegrootte of het verdwijnen en
ontstaan van populaties
Energiestromen door een ecosysteem
● Groene planten zijn autotroof. Deze producenten leggen zonne-energie vast bij
fotosynthese. Dit is de drijvende kracht achter de energiestromen door ecosystemen,
ook voor heterotrofe consumenten
● bruto primaire productie (van een ecosysteem) = de gevormde organische stof van
alle producenten samen
● netto primaire productie (van een ecosysteem) = de stof die overblijft na dissimilatie
door de planten
○ dit kan door anaerobe dissimilatie gesedimenteerd worden en worden gebruikt
als bouw- en brandstof voor de volgende trofische niveaus
● Uiteindelijk verlaat alle energie als warmte het ecosysteem
● In een energiestroomschema staan de energieinhouden van de stoffen die een
organisme eet, uitpoept, verbruikt voor zijn activiteiten en gebruikt voor zijn groei en
onderhoud van cellen
● door de biomassa’s van de producten en consumenten (herbivoren, carnivoren en
omnivoren) van een ecosysteem grafisch met staven op elkaar weer te geven,
ontstaat een piramide van biomassa. Elke staaf stelt de biomassa voor van een
trofisch niveau op een bepaald moment
○ een jaargemiddelde hiervan levert een piramide van productiviteit (ieder jaar
gemiddeld 10% minder productief)