Bij de inhoud van Levenslooppsychologie gaat het om actuele wetenschappelijke
kennis over de gehele levensloop van de mens. Voor een SPH’er is het van belang
of een volwassen mens zelfstandig/autonoom kan funtioneren in de samenleving.
In het werken met mensen komen de volgende vragen aan de orde:
- Door welke factoren kan een individu als autonoom individu functioneren?
- Op welk niveau kan je een cliënt aanspreken?
- Welke activiteiten kun je met een cliënt ondernemen?
- Zijn beperkingen tijdelijk of permanent?
Definities:
- Psychologie: Beschrijft en verklaart het gedrag van de mens en de
gevoelens en gedachten die de mens ervaart bij zijn gedrag en de
omstandigheden waarin het plaatsvindt.
- Ontwikkeling: een reeks progressieve veranderingen die tot hogere
niveaus van differentiatie en functioneren leiden. Deze veranderingen
verlopen trapsgewijs (discontinu).
Doel van de wetenschap Levenslooppsychologie: observatie, beschrijving en
verklaring van ontwikkelingsprocessen gedurende de menselijke levensloop.
Uitkomsten gaan altijd over de gemiddelde mens. De wijze van onderzoek is
dwarsdoornede/longitudinaal.
Hoofdstuk 1: De prenatale periode
Meer inzicht en informatie over de prenatale periode is mogelijk door de
echoscoop.
Conceptie is de start van het leven (na de bevruchting). Zygote is een bevruchte
eicel.
1.1 De lichamelijke ontwikkeling
Onderscheid in twee soorten ontwikkelingen:
- Ontwikkeling van de individu (ontogenese) moeder belangrijk.
- Ontwikkeling van de soort (fylogenese) ontwikkeling van de erfelijkheid.
De prenatale ontwikkeling is afhankelijk van:
- Groei: toename van cellen, lengte en gewicht. Sterk erfelijk bepaald. Van
klein naar groot (groei) en van eenvoudig naar complex (differentiatie).
- Rijping: in staat zijn om nieuwe functies te vervullen. Lichamelijk proces.
Verloopt in opeenvolgende fases in bepaalde volgorde. Het is een
autonoom proces, waarbij erfelijke factoren belangrijk zijn.
- Leren: verwerven van kennis en vaardigheden op basis van intelligentie en
ervaring door actief in contact te treden met de omgeving. Omgeving
heeft invloed op de rijping van het zenuwstelsel.
Drie belangrijke trimesters in de prenatale fase:
- 1e trimester: de twee periodes samen worden de embryonale fase
genoemd.
o Eerste 2 weken: germinale fase: innesteling en celdeling.
o 2 tot 8/12 weken: structurele uitbouw wordt volledig foetus.
Aanleg van bv. Centrale zenuwstelsel, hersenen, hart, ogen en oren.
, - 2e trimester: 4e tot 6e maand. Gemiddeld 25 cm. Foetus maakt bewegingen
en de reflexen worden ontwikkeld. Ontwikkeling van zenuwverbindingen
tussen de hersenen, belangrijke organen en reflexen.
- 3e trimester: 6 tot 9 maanden. Gemiddeld 45 cm en 2.7 kilo. Snelle
gewichtstoename, vastere positie en externe prikkels onderscheiden.
1.2 De ontwikkeling van de reflexen
Reflexen zijn onbewuste en automatische fysiologische reacties op prikkels en
veranderingen uit de omgeving. Ze komen voort uit het overlevingsinstinct. Ze
zijn belangrijk om de eerste 6 maanden te overleven. Kenmerken:
- Het zijn onwillekeurige bewegingen, 1 e bewegingen.
- Reflexen geven info over het al dan niet goed functioneren van het
centrale zenuwstelsel.
- Ze worden bestuurd door de hersenstam (vroeg in evolutie ontwikkeld).
Een aantal reflexen verdwijnen echter weer, omdat ze belemmeringen
vormen voor doelgerichte bewegingen.
De ongeboren mens kent 8 reflexen (ontwikkeld in uterus):
- 1e: Uterine with drawel reflex: terugtrekken van het lichaam bij knijpen van
de tenen. Van 5/7e week tot 32ste week voor de geboorte.
- 2e: moro-reflex/omklemmingsreflex: ledematen spreiden en dan naar
voren. Schrikreactie op plotselinge veranderingen. 9/2 weken voor
geboorte tot 2/4 maanden na geboorte.
- 3e: babyskinreflex: tenen spreiden bij aanraking voetzool. Ontstaat na de
geboorte, tot 1 of 2 jaar.
- 4e: palmarreflex/grijpreflex: vingers sluiten bij aanraking handpalm. Van
11e week voor tot 2/9 maanden na de geboorte.
- 5e: asymmetrische tonische nekreflex: hoofd buigen, benen en armen
strekken. 18 weken voor tot 3/9 maand na geboorte.
- 6e: spinal galant reflex: simulatie buik/rug ruggenmerg draait 45 graden.
20 weken voor tot 3/9 maanden na.
- 7e: rooting reflex & sucking reflex: bij aanraking van de wang of mondrand,
draait het hoofd die richting op en gaat de mond open. 24/28 ste week voor
tot 3/4e maand na.
- 8e: tonische labyrinthe reflex forward: bij het bewegen van het hoofd, buigt
het onder de ruggengraat door. Vanaf geboorte tot 3/4 e maand na de
geboorte.
1.3 Visies op het prenatale bewustzijn
Het lastige aan deze wetenschap is dat er verschillende visies zijn op menselijke
ontwikkeling. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de verklaring van mensen die vanuit
een bepaalde religie denken. In de Westerse psychologie bestaan de volgende
stromingen/ paradigma’s:
- Psychoanalyse (Freud /Erikson): De mens wordt gestuurd door driften en de
pogingen deze te onderdrukken. Vroegkinderlijke ervaringen staan
centraal. Nadruk op biologische aanleg en opvoeding. Er bestaat wel een
vorm van besef in de baarmoeder, dat later het onderbewuste wordt.
- Cognitieve ontwikkelingsmodel (Piaget): Gedrag van kinderen weerspiegelt
hun denk - en kennisniveau. De informatieverwerking en zelfsturing van de
mens zijn bepalend voor het prenatale bewustzijn. Bewustzijn is gekoppeld
aan het geheugen, dus gene bewuste geheugenvorming in de prenatale
fase.